direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bilderdam 28 d, e, f
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Bilderdam 28 d, e, f te Leimuiden was een kwekerij en (tot 1 juli 2014) het dierenhotel Pocahondas gevestigd. Initiatiefnemer heeft inmiddels het grootste gedeelte van de bedrijfsactiviteiten en het dierenhotel beëindigd. De cactuskwekerij is momenteel afgebouwd, deze bedrijfsactiviteiten zijn in de zomer van 2015 beëindigd. De initiatiefnemer heeft het onroerend goed inmiddels verkocht en haar rechtsopvolger is voornemens alle bedrijfsbebouwing te saneren. Na de sanering van alle bedrijfsgebouwen wordt gebruik gemaakt van de ruimte voor ruimte-regeling, waardoor de mogelijkheid ontstaat om een extra woning op het perceel te realiseren. Het totaal aantal burgerwoningen komt na sanering op 3.

Op het perceel vigeert het bestemmingsplan Landelijk Gebied van de gemeente Uithoorn, zoals vastgesteld op 27 januari 2005. In dit bestemmingsplan is aan de betreffende gronden de bestemming Agrarische doeleinden Glastuinbouw toegekend. In de 1e herziening is de 2e bedrijfswoning geregeld. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient de bestemming gewijzigd te worden naar een woonbestemming. Om dit juridisch planologisch mogelijk te maken is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied omvat de locatie Bilderdam 28 d, e, f te Leimuiden. Dit betreft de kadastrale percelen 2028, 2029, 2030, 2031, 2032, 2033, 2034 en 2035 Sectie C. De locatie ligt in het noord-oosten van de gemeente Kaag en Braassem. In figuur 1.1. is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging plangebied

1.3 Vigerende plannen

Ter plaatse van het perceel Bilderdam 28 vigeren de volgende bestemmingsplannen:

  • Bestemmingsplan Landelijk Gebied van de gemeente Uithoorn zoals vastgesteld op 27 januari 2005;
  • Bestemmingsplan Landelijk Gebied 1e herziening van de gemeente Uithoorn zoals vastgesteld op 12 juni 2008.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0002.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0003.png"

Figuur 1.2a uitsnede vigerend bestemmingsplan. Figuur 1.2b uitsnede 1e herziening

In het vigerende bestemmingsplan is het perceel voorzien van de bestemming Agrarische doeleinden glastuinbouw inclusief een bouwvlak. Op het perceel is 1 bedrijfswoning toegestaan. Het perceel is eveneens opgenomen in de 1e herziening van het bestemmingsplan Landelijk gebied. In de 1e herziening is de 2e bedrijfswoning geregeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0004.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0005.png"

Figuur 1.3 Foto's bestaande situatie

Op bovenstaande foto's is te zien dat beide woningen deel uitmaken van hetzelfde hoofdgebouw.

1.4 Provinciale en gemeentelijke herindeling

Het perceel Bilderdam 28 is opgenomen in het bestemmingsplan Landelijk Gebied van de gemeente Uithoorn (provincie Noord-Holland). Op 1 januari 2012 heeft er een provincie- en gemeentegrenscorrectie plaatsgevonden. Als gevolg van deze correctie ligt het perceel inmiddels in de gemeente Kaag en Braassem (Zuid-Holland).


De gemeenten Uithoorn en Kaag en Braassem zijn overeengekomen dat vanwege het reeds ingezette proces voor de provinciale en gemeentelijke herindeling de door Uithoorn/Noord-Holland ingezette beleidslijn bestendigd zal worden. Omdat de locatie is gelegen in de provincie Zuid-Holland en de gemeente Kaag en Braassem wordt in dit bestemmingsplan getoetst aan het beleid van de provincie Zuid-Holland en de gemeente Kaag en Braassem.

1.5 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is de bestaande situatie beschreven en wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt aandacht besteed aan de wijze waarop de ontwikkeling in de regels is vertaald. In hoofdstuk 4 is de gewenste ontwikkeling getoetst aan het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In dit hoofdstuk is ook de toetsing van de gewenste ontwikkeling aan de Ruimte voor ruimte-regeling beschreven. In hoofdstuk 5 is de toetsing van de gewenste ontwikkeling aan de relevante sectorale milieuaspecten beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Inleiding

Dit bestemmingsplan dient getoetst te worden aan het nu geldende rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieronder is het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid nader beschreven.

2.2 Rijksbeleid

2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) & Barro (2011)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Doelen

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Nationale belangen

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

De beoogde ontwikkeling valt niet onder één van de nationale belangen. De ontwikkeling draagt hierdoor enerzijds niet bij aan het realiseren van het rijksbeleid, maar is evenmin in strijd met dit beleid. Het rijksbeleid staat de uitvoering van het plan zodoende niet in de weg.

2.2.2 Ladder van duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de ladder van duurzame ontwikkeling vastgelegd die bij ruimtelijke ontwikkelingen in algemene zin een onderbouwing vraagt omtrent noodzaak en locatieafweging.

Het uitgangspunt is daarbij dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een actuele, regionale behoefte. Het tweede vereiste is dat de ontwikkeling primair in bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Slechts wanneer dit niet mogelijk blijkt, behoort ontwikkeling daarbuiten tot de mogelijkheden. In dat laatste geval zal bovendien moeten worden aangetoond dat de betreffende locatie multi-modaal ontsloten wordt.

De ladder stuurt hiermee aan op zorgvuldig ruimtegebruik, het voorkomen van bebouwing die tot leegstand (elders) leidt en het onnodig uitbreiden van het verstedelijkt gebied ten koste van het landelijk gebied.

Gelet op deze doelen van de ladder, is van belang in ogenschouw te nemen dat er in de eerste plaats bestaande bebouwing wordt opgeruimd. Het gaat om 2.300 m2 aan kassen, een bestaande schuur van 340 m2 en de 2 bedrijfswoningen. Als twee van de nieuwe woningen worden weggestreept tegen de twee bestaande (bedrijfs)woningen, geldt dat er per saldo 1 woning wordt gebouwd in ruil voor 2.300 m2 aan kassen en een schuur van 340 m2.

Dit leidt per definitie tot een afname aan bebouwing in het landelijk gebied. De 'Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking' van het ministerie van Infrastructuur en Milieu geeft hiervan aan dat Ruimte voor Ruimte ontwikkelingen per definitie al tot een afname of verplaatsing van bebouwing leiden en zodoende niet als stedelijke ontwikkeling moeten worden aangemerkt. Toetsing aan de ladder is dan verder niet nodig.

2.3 Provinciaal beleid

2.3.1 Visie ruimte en mobiliteit (2014)

Op 9 juli 2014 heeft de provincie Zuid-Holland de Visie ruimte en mobiliteit (VRM) vastgesteld. Hierin geeft de provincie op hoofdlijnen sturing aan ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.

Het hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen

De VRM biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt, en bevat voldoende flexibiliteit om in de ruimtelijke ontwikkeling te reageren op maatschappelijke initiatieven. Dat geeft houvast voor andere ruimtelijke plannen en voor investeringen in ruimte en netwerk. Het geeft ook duidelijkheid over de randvoorwaarden die de provincie daaraan stelt. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is,
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht,
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit,
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

De huidige ruimtelijke situatie – gecombineerd met de vier rode draden - vormt het vertrekpunt voor de Visie ruimte en mobiliteit.

Ruimtelijke kwaliteit

Belangrijk uitgangspunt van het Provinciale beleid is dat wordt in gezet op een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In Zuid-Holland, dat zich onderscheidt door het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang.

De essentie van de rode draad ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag.

De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd (de regionale Gebiedsprofielen). Binnen deze spelregels en met dit gedeelde kwaliteitsbeeld is er ruimte voor maatwerk om te komen tot de best mogelijke oplossing voor de gestelde opgave. De provincie beschikt al enige tijd over een kwaliteitskaart die de kwaliteitsambities van de provincie toont en in een geactualiseerde vorm onderdeel is van deze Visie ruimte en mobiliteit. De kwaliteitskaart staat met de bijbehorende uitwerking in richtpunten aan de basis van de regionale gebiedsprofielen, die een handreiking vormen voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit.

De provincie maakt in dit kader onderscheidt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen

Inpassing

Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, die past bij de schaal en de maat van de bestaande kenmerken van een gebied. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit.

Aanpassing

Dit betreft een gebiedsvreemde ontwikkeling van relatief beperkte omvang, of een (gebiedseigen dan wel gebiedsvreemde) ontwikkeling die niet past bij de schaal en maat van het landschap. Een voorbeeld is een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat.

Transformatie

Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap ontstaat. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassing – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie.

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van de VRM. Zoals in hoofdstuk 3 is opgenomen voldoet de ontwikkeling aan de eisen die voor 'aanpassing' gesteld worden.

2.3.2 Verordening Ruimte (2014)

De Verordening ruimte Zuid-Holland is vastgesteld in samenhang met de Visie ruimte en mobiliteit en het Programma ruimte. De visie bevat de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het ruimtelijk beleid is uitgewerkt in het Programma ruimte. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van juridische doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. De Verordening ruimte 2014 vervangt de Verordening ruimte van 2 juli 2010 (inclusief de wijzigingen van latere datum).

De ladder voor duurzame verstedelijking, die bij het Rijksbeleid al aan de orde is gekomen, is in de provinciale verordening eveneens geborgd. In paragraaf 2.2.2 is dit thema eerder onderbouwd, waarbij duidelijk werd dat het plan als Ruimte-voor-Ruimte ontwikkeling per definitie tot een afname van bebouwing leidt.

De verordening kent daarnaast harde bepalingen voor uiteenlopende functies en ontwikkelingen. Daarnaast zijn er kwalitatieve kaders opgenomen om andersoortige ontwikkelingen mogelijk te maken. In dit geval is het plan vanwege de functieverandering van agrarisch naar wonen niet direct passend binnen de richtpunten (gebiedsvreemd). Gelet op de sloop van verstorende bebouwing houdt het plan wel een ruimtelijke kwaliteitsverbetering in. De voormalige Ruimte-voor-ruimte regeling is in dit geval als leidraad gebruikt om voldoende glas op te ruimen alvorens nieuwe bebouwing mogelijk te maken.

Om daarbij verder te voldoen aan de kwalitatieve uitgangspunten van de provincie is het ook zaak dag de functie en bebouwing die daarvoor in de plaats komen passend in de omgeving worden gemaakt. In Hoofdstuk 3 is beschreven hoe ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn ingezet om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Gezien de kleinschaligheid betreft het geen ontwikkeling waarbij een provinciaal doel of belang in het geding is. De betrokkenheid van de provincie behoeft zich niet te richten op een actieve behartiging van provinciale doelen.

2.3.3 Gebiedsprofiel Hollands Plassengebied

In de periode 2011 -2014 zijn voor Zuid-Holland gebiedsprofielen opgesteld waarin een beschrijving van specifieke ruimtelijk kwaliteiten voor een bepaald gebied is opgenomen. Per element in een gebied komt er een beschrijving van kenmerken (wat is er), ontwikkeling (wat speelt er), ambitie (waar willen we heen) en sturing (hoe bereiken we dat). Bij toekomstige ruimtelijke plannen dienen de ruimtelijke kwaliteit meegenomen te worden. Het gebiedsprofiel vormt geen formeel toetsingskader maar wordt als handvat en inspiratiedocument gezien bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied is gelegen in het gebiedsprofiel Hollands Plassengebied.

Kenschets

In het gebiedsprofiel wordt het gebied omschreven als 'luw gebied' binnen een (sterk) verstedelijkte omgeving. Het gebied ligt tussen de binnenduinrand, Oude Rijn, Meije, Kromme Mijdrecht en de Haarlemmermeerpolder. De combinatie van de hoge ligging van het boezemwater ten opzichte van de lagere omringende polders, het grote aantal molens en het vele water is uniek en draagt sterk bij aan de ultieme ‘Nederland Waterland’-ervaring: het besef dat je onder de zeespiegel staat.

Van grote betekenis voor dit typisch Hollandse open landschap is de ontginning van de veenbodem en het daaraan gekoppelde watersysteem. De plassen, weilanden, droogmakerijen en zelfs de dorpen hebben hun verschijningsvorm te danken aan het (al dan niet afgegraven) veen.

Ontwikkelingen en ambities

Het Hollands Plassengebied is een populair gebied om te recreëren en te wonen, ondanks dat er niet overal sprake is van een samenhangend recreatief netwerk. Onder watersporters is het gebied zeer geliefd. Er is dan ook een vraag naar jachthavens. De ligging nabij de steden en mainport Schiphol betekent dat er op acceptabele reisafstand werkgelegenheid is. Hierdoor is er sprake van stedelijke druk die leidt tot hoge grondprijzen en een sterke druk op de infrastructuur. De verbreding van wegen, de HSL en hoogspanningsmasten leiden tot versnippering van het landschap en natuur. Het gebied is matig ontsloten qua openbaar vervoer, waardoor het vervoer per auto een noodzaak is.

De agrarische sector is nog steeds de drager van het open landschap in de veenweidegebieden en de droogmakerijen, maar door de bodemdaling en de op sommige plekken optredende verzilting heeft de landbouw het moeilijk. Om een duurzame economische toekomst te garanderen hebben agrariërs steeds efficiëntere en grotere bedrijven nodig, wat niet altijd soepel samengaat met de landschapsstructuur en de maat van de bebouwing in de omgeving. Om boeren toch een toekomst te bieden, moet gekeken worden naar de mogelijkheden en de draagkracht van het landschap; In een grote droogmakerij is schaalvergroting wel mogelijk, in een kwetsbare veenpolder zal verbreding eerder een passende oplossing zijn.

De glastuinbouw heeft door de nabijheid van Aalsmeer en Schiphol een toekomst, maar is niet op alle plekken duurzaam. Op sommige plaatsen zal gesaneerd moeten worden ten gunste van andere functies, terwijl op andere plaatsen juist een concentratie van moderne, duurzame bedrijven nagestreefd wordt.

Het plan sluit hierbij aan, doordat in dit geval een niet-duurzame glastuinbouwlocatie wordt gesaneerd. De functie en bebouwing die daarvoor terugkomen passen binnen de karakteristieke lintstructuur en leidt niet tot aanpassing van water- en verkavelingsstructuren, zoals in hoofdstuk 3 nader omschreven wordt.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Maatschappelijk ruimtelijke structuurvisie 2025 (2011)

Het doel van het opstellen van de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV)is, om de vraagstukken (vergrijzing, vergroening, druk op landschap van infrastructuur en verstedelijking) en kansen integraal in beeld te brengen en te gebruiken als bouwstenen voor een helder toekomstperspectief. De structuurvisie geeft een overzicht van de ambitie van de gemeente tot 2025. Het kaartbeeld is opgebouwd uit elementen vanuit de verschillende beleidsvelden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0006.png"

Figuur 2.1 uitsnede visiekaart Structuurvisie

In de structuurvisie is het plangebied aangewezen als droogmakerij en is gelegen binnen de geluidscontour van Schiphol. Tot slot is het gebied aangewezen voor extensieve recreatie.

Visie op het landschap

het landschap wordt gekenmerkt door zijn openheid. Het open agrarisch landschap kan uitsluitend behouden blijven als dit hoofdzakelijk in gebruik blijft als landbouwgrond. Bebouwing wordt beperkt tot bouwvlakken, daarbuiten mag niet worden gebouwd. Op de waterbestemmingen wordt een beschermende waarde gelegd in verband met de bescherming van de oevers en natuurwaarden. Het gebied is cultuurhistorisch zeer waardevol, behoud van het kavel- en slotenpatroon staat hier voorop. Verbreding van de agrarische sector kan zorgen voor een goede mix tussen natuurbeheer, recreatie en landbouw.

Voor de plassen en meren in Kaag en Braassem wordt ingezet op een verdere profilering. Enerzijds het meer verstedelijkte, drukke Braassemermeer, anderzijds de meer rustige en natuur- en landschapsgeoriënteerde plassen zoals Hanepoel, Kiekpoel en de Drecht.

Economische zaken

Kaag en Braassem zet zich de komende jaren in voor het versterken van de woon-werkbalans door het (planologisch) stimuleren van kansrijke economieën met als doelstelling meer arbeidsplaatsen per woning. Het platteland krijgt de ruimte om in te spelen op dagrecreatie en kleinschalige recreatie. Zo kan de agrarische sector zich economisch versterken.

Recreatie en Toerisme

Kaag en Braassem geeft de agrariërs in het buitengebied graag de ruimte om in te spelen op dagrecreatieve en kleinschalige verblijfsrecreatie. Kaag en Braassem zet verder in op:

  • uitbreiding en intensivering van recreatie bij en in aansluiting op bestaande concentraties bebouwing langs de oevers van de plassen, zoals bij het Vennemeer, Kaag en Rijpwetering.
  • het creëren van voorzieningen voor de watersporter/recreant door onder andere het integraal ontwikkelen en onderhouden van passantenplaatsen, recreatieplekken langs het water en het toegankelijk maken van en het vergroten van de interactie tussen water en land.
  • een aantrekkelijke stadsrandzone door ruimte te bieden aan recreatieve bedrijvigheid. Er wordt gestreefd naar goede cultuurhistorische en recreatieve informatievoorziening, goede bereikbaarheid en toegankelijkheid tussen stad en land door onder andere de aanleg van nieuwe fietspaden.
  • kleinschalige recreatieve bestemmingen in het buitengebied.

Duurzaamheid

Op het gebied van duurzaamheid is de keuze gemaakt om trendvolgend te zijn. Dat betekent dat Kaag en Braassem een veilige een duurzame leefomgeving voor haar inwoners wenst te zijn, maar zonder vooruit te lopen op vernieuwende maatregelen, technieken en/of investeringen op gebied van duurzaamheid. Onlangs is in overleg met andere gemeenten in de regio een Duurzaamheidsagenda opgesteld.

Er wordt ingezet op een duurzame, schone, gezonde en groene omgeving waarin het goed en veilig leven is. De leefomgeving wordt duurzaam ingericht. Dat geldt zowel voor nieuw te ontwikkelen gebieden, als voor herstructureringen.

Gelet op het bovenstaande, wordt de beoogde ontwikkeling niet als zodanig benoemd in de MRSV. De ontwikkeling draagt hierdoor enerzijds niet bij aan het realiseren van het gemeentebeleid, maar is evenmin in strijd met dit beleid. Doordat het om sanering binnen een bebouwingslint gaat, blijven belangrijke waarden die in de structuurvisie zijn benoemd ongemoeid.

2.4.2 Ruimte voor ruimte

In het vigerende bestemmingsplan is een ruimte-voor-ruimte-regeling opgenomen om bij vrijkomende agrarische bebouwing na sanering woningbouw toe te kunnen staan. Hierbij wordt de Noord-Hollandse ruimte-voor-ruimte-regeling gebruikt, terwijl de betreffende gronden na een grenswijziging inmiddels in de provincie Zuid-Holland liggen. Hier is tijdens het planproces door de provincie Zuid-Holland mee ingestemd, zoals ook blijkt uit hun overlegreactie die in paragraaf 6.1 aan de orde komt.

De beoogde ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ruimte-voor-ruimte-regeling zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Daarbij moet het agrarisch bedrijf beëindigd worden en moet een minimale oppervlakte aan agrarische bebouwing worden weggenonem, voordat er nieuwbouw van een woning mag plaatsvinden. Het gaat dan om 2.000 m2 aan kassen of 1.000 m2 aan andersoortige agrarische bedrijfsgebouwen voor de bouw van 1 nieuwe burgerwoning.

Voorliggende ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van deze regeling.

Hoofdstuk 3 Beschrijving ontwikkeling

3.1 Bestaande situatie

Het bedrijfscomplex aan de Bilderdam 28 bevindt zich aan de rand van de Griet- en Vrieschekoopse polder. De Grietpolder is in 1629 gesticht en in 1741 drooggemalen en samengevoegd met de Vriesekoopschepolder. De polder wordt gekenmerkt door een open veenweidegebied. Aan de rand van het veenweidegebied, aan de zijde van het plangebied, grenst de polder aan de kern Kudelstaart en de aangrenzende glastuinbouwcomplexen. Het plangebied zelf is gelegen op een strook grond tussen de rivier de Drecht en de Ringvaart (ook wel Ringsloot genoemd) en wordt ontsloten via het buurtschap Bilderdam.

Op het perceel Bilderdam 28 zijn 2 bedrijfswoningen, een kas en een bedrijfsgebouw aanwezig. In figuur 3.1 is de bestaande situatie opgenomen. Alle gebouwen en kassen zijn gelegen binnen het bouwvlak en de bestemming Agrarische doeleinden glastuinbouw zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0007.png"

Figuur 3.1 Bestaande situatie

3.2 Visie op gewenste ontwikkeling

De bestaande kas met een oppervlakte van 2.300 m2, de bestaande schuur van 340 m2 en de 2 bedrijfswoningen worden gesaneerd. In ruil hiervoor worden in de nieuwe situatie 3 nieuwe burgerwoningen gebouwd. Twee van deze burgerwoningen gelden als compensatie voor de twee oorspronkelijke bedrijfswoningen. De derde nieuw te bouwen woning geldt als compensatie voor de te slopen bedrijfsgebouwen.

De drie nieuwe woningen worden op de huidige locatie van de bestaande bedrijfswoningen, kassen en schuur gerealiseerd. Het beleid maakt deze ontwikkeling mogelijk mits er een kwalitatief optimaal resultaat behaald wordt. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn ingezet om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Locatiekeuze

Bij de locatiekeuze voor de nieuwe woningen is afgewogen of de compenserende woningbouw op de saneringslocatie of een geheel andere locatie het beste zou passen. Deze afweging heeft plaatsgevonden op basis van het Noord-Hollandse beleid (aangezien bij de start van de ontwikkeling afgesproken is dit beleid te voeren). Op basis van dit beleid dienen de compensatiewoningen bij voorkeur aan de rand van bestaand bebouwd gebied gerealiseerd te worden. Als dit niet mogelijk is kunnen de compensatiewoningen ook plaatsvinden op de saneringslocatie. Hieraan is dan wel de voorwaarde verbonden dat deze nieuwbouw wat betreft aard en omvang passend is in het landschap. Het is aan de gemeente om de locatie voor compenserende woningbouw te bepalen op basis van de ruimtelijke kwaliteit, tempo van uitvoering, kosten en te realiseren bouwvolume afgezet tegen de benodigde compensatie zoals deze volgens de provinciale regeling is toegestaan. Gezien het rijksbeleid ten aanzien van de 20Ke geluidcontour van Schiphol zijn er feitelijk alleen geschikte locaties te vinden die vallen binnen de 20 Ke-zone of LIB 4 (35 Ke- zone) van het Luchtvaartindelingen Besluit. Dit betekent dat binnen dit ruimte voor ruimte project de voorkeur uitgaat naar het realiseren van de compensatiewoningen op de eigen kavel. Er is voldoende ruimte voor de woningen op de kavel en de nieuwbouw vindt plaats aansluitend aan de bestaande bebouwing zodat er geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke kwaliteiten. Zoals al vaker in het verleden uitgesproken, is uitgangspunt daarbij dat een tweede lint achter de bestaande lintbebouwing niet acceptabel is. De 3 woningen kunnen gezien de breedte van het perceel alleen in de 1e lijn (de strook gelegen aan de wegzijde) worden gerealiseerd. Dit wordt in de regels behorende bij dit bestemmingsplan verankerd. De gemeente Uithoorn heeft op transparante wijze de alternatieven afgewogen en besloten dat de compensatiewoning op de huidige locatie gerealiseerd kan worden.

Ruimtelijke kwaliteit

Op de saneringslocatie worden twee nieuwe woningen gebouwd die als compensatie dienen voor de 2 oorspronkelijke bedrijfswoningen. Tevens worden de bestaande kas met een oppervlakte van 2.300 m2 en de bestaande schuur van 340 m2 gesaneerd. In ruil daarvoor wordt 1 (extra) compensatiewoning gerealiseerd. De inhoud van de drie afzonderlijke woningen bedraagt ten hoogste 750 m3. De hoeveelheid bebouwing wordt per saldo aanmerkelijk verkleind en de kwaliteit van de bebouwing (kas vs woning) wordt vergroot. Bij de situering van de woningen is aansluiting gezocht bij de bestaande bebouwingsstructuren. De woningen worden in het bestaande lint, zoals verwoord in het Gebiedsprofiel Hollandse Plassen van de provinciale visie Ruimte en Mobiliteit, gerealiseerd. Voor de locatiekeuze van de woningen op het betreffende perceel worden regels opgenomen zodat de bouw van de woningen op nagenoeg dezelfde lijn gerealiseerd worden. Op deze manier wordt geborgd dat de woningen niet zorgen voor een 'rommelig' beeld en bijdragen aan de instandhouding van het lint. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanmerkelijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

Vertaling in het bestemmingsplan

Er zijn drie bouwvlakken opgenomen waarbinnen per bouwvlak één woning wordt toegestaan. Deze bouwvlakken zijn relatief ruim (30 x 25 m), waardoor er een zekere speelruimte blijft voor de aanvrager om te bepalen waar de woning uiteindelijk geplaatst wordt. De bouwvlakken zijn in lijn met elkaar gesitueerd, waardoor de woningen uitsluitend naast elkaar gerealiseerd kunnen worden. Daarmee sluit de nieuwe bebouwing aan bij de lintstructuur waar het perceel onderdeel vanuit maakt.

De bouwvlakken beslaan daarbij een beperkte diepte van het perceel, waardoor de voor- en achterzijde (vanaf de weg gezien) vrij blijven van gebouwen. De drie woningen blijven op die manier op enige afstand van de weg te liggen, wat het perceel wat lucht geeft. Tegelijkertijd eindigt het bouwvlak ruim voor de achterzijde van de bestaande bebouwing, waardoor richting het landelijk gebied de landschappelijke impact kleiner wordt. Ook de verschijningsvorm van de nieuwe bebouwing draagt daar uiteraard aan bij. De vorm en positie van de bouwvlakken is opgenomen in figuur 3.2

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0008.png"

Figuur 3.2 Indeling bestemmingslegging en bouwvlakken

Door aan de voor- en achterzijde de agrarische bestemming vast te leggen, kan woonbebouwing uitsluitend binnen de percelen van ieder 30 x 25 m worden gebouwd. Zowel de gronden aan de voor- als achterzijde behouden op die manier een open uitstraling. Deze gronden kunnen bijvoorbeeld voor hobbymatig agrarisch gebruik worden benut.

De mogelijkheden voor de bouw van de woningen zijn afgestemd op de bestemmingslegging en -regeling in de directe omgeving. De basis van deze regeling bestaat uit de volgende uitgangspunten:

  • per bouwvlak is ten hoogste 1 woning toegestaan;
  • de inhoud van de woningen, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bedraagt ten hoogste 750 m3;
  • voor overkappingen geldt een maximum oppervlakte van 50 m2;
  • de goothoogte van de woningen bedraagt ten hoogste 4 m;
  • de bouwhoogte van de woningen bedraagt ten hoogste 10 m.

Deze maten zijn afgestemd op de regeling uit het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied. In afwijking van de regeling in dit bestemmingsplan is de inhoudsmaat van 650 m3 verruimd naar 750 m3. Na vaststelling van het vigerende bestemmingsplan heeft de provincie de inhoudsmaat voor woningen namelijk verruimd. De gemeente Kaag en Braassem heeft op basis hiervan besloten de inhoudsmaat van woningen in het buitengebied te verruimen naar 750 m3 (zoals o.a. opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied West).

Hoofdstuk 4 Onderzoek

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de voor dit wijzigingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de (technische) onderzoeken met conclusies.

4.2 Verkeer en infrastructuur

Het plangebied wordt ontsloten via de Bilderdam. Dit betreft een doodlopende erftoegangsweg. De Hoofdweg verbindt de Bilderdam met de N231 en de N201 die uiteindelijk aansluit op de A2 richting Utrecht. In westelijke richting sluit de Bilderdam, via de Vriezekoop Noord aan op de N207 en de A44 Richting Amsterdam en Den Haag.

Het plangebied is slecht ontsloten met het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde bushalte ligt op ongeveer 2,5 km afstand, aan de zuidzijde van Kudelstaart.

Parkeren zal plaatsvinden op eigen terrein. Voor zowel de bewoners als bezoekers is hiervoor voldoende ruimte beschikbaar. Er wordt derhalve geen openbaar gebied voor parkeren ingericht.

4.3 Geluid

4.3.1 Wegverkeerslawaai

Binnen het plangebied worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn geluidsgevoelige functies waarvoor, indien deze gelegen binnen de geluidszone van een weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Het gebied is gelegen binnen de geluidszone van de Bilderdam en de Bilderdam / Tolhuiskade

Toetsingskader

Normstelling

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging.

De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Nieuwe situaties

Voor de geluidsbelasting op de gevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg, geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavig situatie bedraagt 63 dB (binnenstedelijk).

Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Van de aftrek conform artikel 3.4 uit het Reken- en Meetvoorschrift 2012 is gebruik gemaakt.

De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB.

Onderzoek

Zowel de Bilderdam direct langs het plangebied als de Bilderdam/Tolhuiskade zijn doodlopende wegen. De intensiteit op deze wegen zal dan ook laag zijn waardoor de geluidsbelasting eveneens laag ligt. In de berekeningen is daarom alleen gerekend voor de Bilderdam direct langs het plangebied aangezien aangenomen kan worden dat de geluidsbelasting ten gevolge van de Bilderdam/ Tolhuiskade aanvaardbaar zal zijn.

Rekenmethodiek en invoergegevens

Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. De berekeningsresultaten zijn opgenomen in Bijlage 1. De SRM I methode is een vereenvoudigde methode waarbij geen rekening wordt gehouden met o.a. afschermende bebouwing. Gezien het feit dat tussen de weg en de bebouwing geen afscherming is gelegen kan deze methode in onderhavige situatie toegepast worden.

Verkeersgegevens

Gezien de lage intensiteit zijn op de Bilderdam ter hoogte van het plangebied geen verkeersintensiteiten bekend. Op basis van het aantal woningen en overige functies die ontsloten worden kan aangenomen worden dat de intensiteit zeker niet meer zal bedragen dan 250 mvt/etmaal*.

Voor de voertuigverdeling van het verkeer is uitgegaan van een standaard verdeling van het verkeer op een plattelandsweg. De wegdekverharding bestaat uit asfalt.

* gerekend wordt met intensiteiten in stappen van 250 mvt/etmaal. 250 mvt/etmaal is redelijk hoog voor de betreffende locatie. In de praktijk zullen de uitkomsten van de berekeningen derhalve nog lager liggen dan nu wordt aangenomen.

Resultaten

Ten gevolge van het verkeer op de Bilderdam is de ligging van de 48 dB contour (voorkeursgrenswaarde) bepaald. Deze is op een maximale afstand van 5 m uit de as van de weg gelegen. Aangezien de nieuwe woningen op grotere afstand uit de wegas gelegen zijn kan worden gesteld dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal namelijk niet overschreden worden.

Conclusie

Ten gevolge van het verkeer op de Bilderdam is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat in het gebied. Het aspect wegverkeerslawaai staat de realisatie van de woningen dan ook niet in de weg.

4.3.2 Vliegtuiglawaai

Naast wegverkeerslawaai is vanwege de nabijheid van Schiphol ook vliegtuiglawaai een aspect om rekening mee te houden. Hiertoe is rekening gehouden met het Luchthavenindelingbesluit. In paragraaf 4.8 wordt hier nader op ingegaan.

4.4 Bodem

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek en conclusie

De voorgestelde ontwikkeling past niet in het vigerende bestemmingsplan, er is sprake van een functiewijziging van bedrijvigheid naar wonen. Voor deze nieuwe functie dient aangetoond te worden dat de milieukundige bodemkwaliteit geen belemmering vormt.

Om die reden is door Sigma Bouw en Milieu verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. De onderzoeksresultaten die hieruit naar voren komen, tonen aan dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging.

In diverse grondmonsters zijn verhoogde gehalten met lood en zink of een combinatie daarvan aangetroffen die aanleiding geven tot verdere analyse van de boringen en op onderdelen tot nader onderzoek. Overige aangetroffen stoffen overschrijden de tussenwaarde niet waardoor zijn geen aanleiding geven tot het instellen van een nader onderzoek.

De hypothese dat sprake is van een onverdachte locatie dient gelet op de onderzoeksresultaten verworpen te worden. Om die reden zal op de locatie waar verhoogde gehalten zijn aangetroffen nadere analyse en voor zover nodig nader onderzoek uitgevoerd worden, waaruit zal blijken of er maatregelen nodig zijn. Er is voor gekozen dit uit te voeren na de sloop van de bestaande opstallen.

4.5 Bedrijven en milieuhinder

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).

Onderzoek en conclusies

Met voorliggende bestemmingsplan wordt de realisatie van 3 woningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn geen hinderlijke functies. Wel zijn woningen hindergevoelige functies. In de directe omgeving van de beoogde woningen zijn voornamelijk andere woningen en agrarische gronden gelegen. Deze functies veroorzaken geen hinder. Ten noordoosten van het plangebied is wel een stal gelegen. D Op basis van het Activiteitenbesluit geldt in het buitengebied een minimale afstand van 50 m van de stal tot de woningen. De nieuwe woningen worden op een grotere afstand gerealiseerd. Aanvullend geldt dat deze stal aan de Bilderdammerlaan bij een agrarisch bedrijf behoort dat de bedrijfsactiviteiten per eind 2014 zal beëindigen. Er zal ter plaatse van de beoogde woningen dan ook sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en het aanwezige agrarische bedrijf zal niet in zijn bedrijfsvoering worden belemmerd. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6 Externe veiligheid

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek en conclusie

Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in (de omgeving van) het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Deze worden in het bestemmingsplan ook niet mogelijk gemaakt. Daarnaast vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water het spoor of door buisleidingen dat van invloed is op de risicosituatie in het plangebied.

Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.7 Kabels en leidingen

Beleid en normstelling

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

Onderzoek en conclusies

Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.8 Schiphol

Luchthavenindelingbesluit

Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) is een besluit op basis van de Luchtvaartwet. Het LIB regelt welk gebied bestemd is voor gebruik als luchthaven en voor welk gebied daaromheen beperkingen gelden ten behoeve van de veiligheid en geluidsbelasting. Het LIB geeft regels voor gebruik en bestemming van de grond in deze gebieden. Op basis van het LIB kan de rijksoverheid beperkingen opleggen aan bouwinitiatieven in zones rondom de luchthaven Schiphol. Primaire doelen zijn:

  • voorkomen dat het gebruik van de grond en de bebouwing op en rond Schiphol een gevaar zou kunnen vormen voor de veiligheid van het luchtverkeer
  • beperken van het aantal nieuwe en bestaande door vliegtuiggeluid gehinderde bewoners en gebruikers.

De minister van Infrastructuur en Milieu kan een verklaring van geen bezwaar geven, zodat nieuwe bebouwing of functiewijziging toch mogelijk is.

De ruimtelijke consequenties van de gewijzigde Wet Luchtvaart worden weergegeven in het Lib. In dit Besluit wordt een beperkingengebied aangegeven. Hierin worden beperkingengebieden ten aanzien van Schiphol weergegeven met betrekking tot externe veiligheid, geluidsbelasting, hoogtebeperkingen en vogelaantrekkende werking.

Onderzoek en conclusie

Op figuur 4.1 is te zien dat voor de planlocatie op basis van het Lib een maximale bouwhoogte van 150 m geldt. De maximale bouwhoogte voor de beoogde woningen zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan is 10 m. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de bouwhoogte uit het Lib.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0009.png"

Figuur 4.1 Beperkingen bouwhoogte. Bron: luchthavenindelingbesluit

Tevens is het plangebied gelegen binnen het bouwbeperkingengebied uit het Lib (figuur 4.2). Op grond hiervan gelden in dit gebied beperkingen voor bebouwing: in het gebied zijn geen woningen, woonwagens, gebouwen met een onderwijsfunctie of gebouwen met een gezondheidszorgfunctie toegestaan, behoudens bestaand gebruik. In de Nota van Toelichting behorende bij het Lib staat vermeld dat hiervan kan worden afgeweken op grond van artikel 8.9 van de Wet Luchtvaart. Voor woningen geldt dat afwijking mogelijk is als sprake is van het opvullen van open gaten binnen aaneengesloten bebouwing, functiewijziging, herbouw van woningen op een minder milieubelaste plaats of bouw van bedrijfswoningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen open gaten in lintbebouwing en open gaten in stedelijk of dorpsgebied. Wat betreft lintbebouwing wordt een maximum gehanteerd van 3 woningen en bij bestaand stedelijk gebied of dorpskommen een maximum van 25 woningen.

Omdat het plangebied is gelegen binnen een lint (Gebiedsprofiel Hollandse Plassen) en bestaat uit de opvulling van een open gat met drie woningen, wordt voldaan aan de voorwaarden uit het Lib. Door de Staatssecretaris van Infrastructuur en milieu is daarom een verklaring van geen bezwaar verleend. De ligging van het plangebied binnen het beperkingengebied voor bebouwing staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0010.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0011.png"

Figuur 4.2 Bouwbeperkingen. Bron: Luchthavenindelingbesluit

4.9 Luchtkwaliteit

Beleid en Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   Grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 µg/m³   2010 tot en met 2014  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 ìg / m³    

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

NIBM

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen.

Onderzoek en conclusie

De ontwikkeling in het plangebied is met de realisatie van maximaal 3 woningen is dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een afname van de verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Op het plan is daarom het besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool NSL 2013 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2012 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Vriezenweg (als maatgevende doorgaande weg in de omgeving van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.10 Ecologie

Normstelling en beleid

Provinciale Verordening

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de Provinciale Verordening Ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die onderdeel zijn van het NNN of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet compensatie plaatsvinden, wanneer er effecten optreden.

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang;
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

  • Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

    • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
    • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
    • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
    • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

  • Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

    • 1. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Hetzelfde geldt voor de ecologische doelen van de beschermde natuurmonumenten (b), voor zover deze gebieden niet overlappen met Natura 2000.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS. Op de kaarten van Zuid-Holland wordt momenteel nog van EHS gesproken). De Geerpolder en Geerpolderplas ten zuiden van de Drecht maken wel deel uit van het NNN. De Geerpolderplas is tevens een beschermd natuurmonument. Circa 4 km ten noordwesten, zuidwesten en oosten van het plangebied liggen belangrijke weidevogelgebieden.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0013.png"

Figuur 4.3: Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

Voor de Geerpolder zijn verschillende natuurbeheertypen aangewezen. Het gaat voor het grootste deel om kruiden- en faunarijk grasland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0014.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBILDERDAM28DEF-VAS1_0015.png"

De Geerplaspolder bestaat uit de plas, oeverlanden en enkele eilanden. Het gebied is aangewezen vanwege de floristische (trilveenachtige moerasvegetatie), avifaunistische (diverse broedvogels en pleisterplaats watervogels) en entomologische (vlinders) waarden. Ook is de aanwezigheid van de zwaar beschermde rugstreeppad bekend.

In het plangebied is op dit moment een kwekerij aanwezig. Het dierenhotel is per 1 juli 2014 beëindigd. Deze functies worden vervangen door 1 burgerwoning. De bestaande 2 bedrijfswoningen worden vervangen door 2 nieuwe burgerwoningen. Deze nieuwe functie leidt tot minder verkeersbewegingen en daarmee ook minder verstoring dan de huidige functies. Tijdens de sloop en bouw kan wel verstoring optreden. Door de meest geluidverstorende werkzaamheden (sloop en heien) buiten het broedseizoen (in de nazomer, begin herfst) uit te voeren, wordt de geluidverstoring tot een minimum beperkt. Visuele verstoring treedt gezien de afstand en de tussenliggende bosschages niet op.

Negatieve effecten op het NNN en het beschermd natuurmonument worden dan ook uitgesloten. Gezien de afstand van minimaal 4 km tot de weidevogelgebieden treedt ook hier geen verstoring op.

De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

Soortenbescherming

  • 1. Bureaustudie

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het plangebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere Ravon en www.waarneming.nl).

  • Vogels

In het plangebied komen tuin- en struweelvogels voor. Hier zijn soorten als koolmees, roodborst, winterkoning en merel aanwezig. De kassen en het dierenhotel zijn ongeschikt voor vaste verblijfplaatsen van broedvogels. De bedrijfswoningen bieden mogelijk wel verblijfplaatsen aan de huismus en gierzwaluw.

  • Zoogdieren

Het plangebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol, egel, huisspitsmuis, veldmuis en konijn. De kassen en het dierenhotel zijn ongeschikt voor vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. De bedrijfswoningen en bomen bieden mogelijk wel vaste verblijfplaatsen. Vleermuizen kunnen namelijk in spouwmuren, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen en/of in spleten en gaten in bomen wonen. De tuin kan daarnaast fungeren als foerageergebied en de watergangen aan de noord- en zuidzijde kunnen onderdeel zijn van een vliegroute van vleermuizen.

  • Amfibieën

Algemene amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad zullen zeker gebruik zullen maken van het plangebied als schuilplaats in struiken en onder stenen. Gezien de aanwezige biotopen komen hier geen zwaarder beschermde soorten voor. In de omgeving is het voorkomen van de zwaar beschermde rugstreeppad bekend. De tuin, het verharde erf en de bedrijfsbebouwing bieden echter geen geschikt biotoop voor deze soort.

  • Overige soorten

Er zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde vaatplanten, vissen, reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan.

In tabel 4.2 staat aangegeven welke beschermde soorten er binnen het plangebied (naar verwachting) aanwezig zijn en onder welk beschermingsregime deze vallen.

Tabel 4.2: Naar verwachting aanwezige beschermde soorten binnen het plangebied en het beschermingsregime (niet limitatief)

  Nader onderzoek nodig  
Vrijstellingsrege-ling Ffw   tabel 1     mol, egel, huisspitsmuis, veldmuis en konijn   Nee  
Ontheffingsrege-ling Ffw   tabel 2     -   Nee  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   -   Nee  
    bijlage IV HR   alle vleermuizen   Ja  
  vogels   cat. 1 t/m 4   gierzwaluw en huismus   Ja  

  • 2. Quick Scan met veldbezoek

Er is via een Quick Scan met veldbezoek nader in beeld gebracht of er eventuele vaste verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen in de bedrijfswoningen aanwezig (kunnen) zijn (zie Bijlage 3). Er is vastgesteld dat het voorkomen van matig of zwaar beschermde soorten is uitgesloten. De bebouwing bezit geen gaten waarin vleermuizen of vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen zich zouden kunnen ophouden. Voor overige soort(groep)en is het gebied verder volledig ongeschikt. Wel vliegen er vleermuizen in lage dichtheid. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen. Effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten.

Resultaten

Het bestemmingsplan voorziet in sloop van het dierenhotel en de kwekerij, 2 bedrijfswoningen en woningbouw. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • a. Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • b. Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming).
  • c. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (start begin herfst) uit te voeren wordt verstoring van eventueel foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen tot een minimum beperkt. Tijdens de bouwfase dient lichtuitstraling naar de omgeving beperkt te worden. In de eindsituatie leidt de woningbouw niet tot meer verstoring dan de huidige functies. Het verhard oppervlak verkleint ook aanzienlijk, waardoor het gebied aantrekkelijker wordt als foerageergebied.
  • d. Bij de uitvoering van de grondwerkzaamheden kunnen maatregelen worden genomen om te voorkomen dat (her)vestiging of (her)kolonisatie van beschermde soorten kan plaatsvinden, daarvoor kan het terrein regelmatig worden gemaaid, zodat er geen (natuurlijke) houtige beplanting kan groeien. Ook het vlak houden van het terrein kan de (her)vestiging van soorten tegengaan. Daarnaast is het dagelijks gebruik van het terrein een vorm van verstoring om (her)vestiging van beschermde soorten tegen te gaan. Echter verstoring mag alleen worden toegepast ter voorkoming van de (her)vestiging van soorten en niet ter bestrijding van al aanwezige soorten. Zo kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat de rugstreeppad (die namelijk aangetrokken wordt door grondwerkzaamheden in de nabijheid van water) zich vestigt door de werkzaamheden naadloos op elkaar te laten aansluiten en/of het plangebied voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden volledig af te schermen met antiworteldoek (hoogte 40-50 cm en 5 cm in de grond). Bij graafwerkzaamheden en/of tijdelijke opslag van grond kan voorkomen worden dat soorten als de oeverzwaluw gaan nestelen in de taluds door deze niet steiler te maken dan 1:3. Mochten ondanks deze voorzorgsmaatregelen onverhoopt toch beschermde dieren zich in het gebied vestigen, dan moeten de werkzaamheden worden stilgelegd, gewacht worden tot de nesten vrijwillig zijn verlaten of ontheffing worden aangevraagd.

Gezien de bovenstaande conclusies staat de Flora- en faunawet, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen en voorwaarden, de uitvoering van het plan niet in de weg.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten, mits rekening gehouden wordt met de aandachtspunten als genoemd onder b en d bij de resultaten. Het aspect ecologie vormt in dat geval geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.11 Water

Er dient in een vroeg stadium overleg gevoerd te worden met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Waternet voert taken uit in opdracht van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal

  • Provinciaal Waterplan

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerplan 2010-2015 beschrijft het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) haar drie hoofdtaken zorg voor veiligheid achter de dijken, zorg voor voldoende water en zorg voor schoon water. Daarnaast voert AGV in zijn beheersgebied taken uit die de waterschappen aanduiden als maatschappelijke neventaken. Voor AGV zijn dat vaarweg- en nautisch beheer, faciliteren van het recreatief medegebruik van wateren en dijken, zorg voor natuurwaarden en bevordering van cultuurhistorische, landschappelijke, en architectonische waarden. De beleidsvoorbereidende, uitvoerende en administratieve taken heeft AGV opgedragen aan de stichting Waternet. Dit waterbeheerplan gaat over de waterschapstaken van AGV, waarbij AGV wel steeds het oog houdt op de samenhang van deze taken met het geheel van waterketen- en watersysteemtaken, ofwel de watercyclus. Tevens geeft dit waterbeheerplan aan de opgaven vanuit de KRW en vanuit het Nationaal Bestuurakkoord Water (NBW-actueel).

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied is gelegen aan de Bilderdam 28 te Leimuiden en bestaat uit glastuinbouw. Volgens de bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) bestaat de bodem ter plaatse uit zeekleigrond. Er is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse is circa NAP -1,4 m.

Waterkwantiteit en –kwaliteit

Ten zuidwesten van het plangebied is het primair boezemwater de Drecht gelegen. Daarnaast is ten zuidoosten tevens een primaire watergang gelegen. Rondom de watergangen zijn beschermingszones aanwezig, zoals weergegeven op de legger van het waterschap. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.

De Drecht behoort tot de Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichamen. De Europese KRW-richtlijn moet ervoor zorgen dat het oppervlakte- en grondwater vanaf 2015 van een goede kwaliteit is en dat ecologische doelen behaald worden.

Veiligheid en waterkeringen

Ten noorden en zuiden van het plangebied is een secundaire waterkering gelegen. Delen van het plangebied liggen dan ook in de kern-/beschermingszone van de kering. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om de stabiliteit van de kering te kunnen garanderen.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is aangesloten op een gemengd rioolstel.

Toekomstige situatie

Algemeen

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop van de aanwezige glastuinbouw en bestaat uit de realisatie van 3 woningen.

Waterkwantiteit

Bij een toename in verharding dient deze toename te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water. Het waterschap Amstel, Gooi en Vecht schrijft in de Keur dat het verboden is zonder vergunning in stedelijk en glastuinbouwgebied meer dan 1.000 m2 aan verhard oppervlak aan te brengen en in overige gebied meer dan 5000 m2.

Door de sloop van de aanwezige bedrijfsbebouwing, die bestaat uit 2.300 m2 aan kassen, een schuur van 340 m2 en 2 bedrijfswoningen vindt in eerste instantie een afname aan verharding plaats. De bouw van de 3 woningen zorgt vervolgens voor een toename van verharding. Daarvan kunnen twee woningen worden weggestreept tegen de twee oorspronkelijke bedrijfswoningen. Per saldo komt er daarom 1 woning terug voor 2.300 m2 + 340 m2 = 2.640 m2 aan bedrijfsgebouwen. Gelet op de bouwmogelijkheden per woning (750 m3 + 50m2 aan overkappingen) vindt per saldo geen toename aan verharding plaats. Watercompensatie is voor voorliggende plan dan ook niet vereist.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • 1. hemelwater vasthouden voor benutting,
  • 2. (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • 4. afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.12 Archeologie en cultuurhistorie

Beleid en normstelling

Monumentenwet

De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Onderzoek

Op 23 mei 2011 is het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld door de gemeenteraad (Kaag en Braassem). In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd. Op 13 mei 2013 heeft de gemeenteraad een actualisatie van dit beleid vastgesteld waardoor de beleidskaart is gewijzigd. De correctie van de provincie- en gemeentegrens is nog niet in het beleid vertaald.

In 2010 is het arcehologiebeleid van de gemeente Uithoorn vastgesteld. Met de archeologische beleidsadvieskaart heeft gemeente Uithoorn een instrument in handen op basis waarvan zij op een verantwoorde manier met haar bodemarchief kan omgaan. De gemeente wil indien wenselijk gemotiveerd van de landelijke richtlijnen af kunnen wijken en een eigen visie op het archeologisch landschap ontwikkelen. Het beleid is gericht op een viertal gebieden, te weten ontginningsassen, gebieden met hoge verwachting, middelhoge verwachting en lage verwachting. Voor ieder gebied wordt een doelstelling gegeven en voorwaarde voor behoud. Op basis van dit beleid geldt ter plaatse van het perceel Bilderdam 28 een lage archeologische verwachtingswaarde. Verkennend archeologisch onderzoek kan om die reden achterwege blijven.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op het aspect archeologie. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.13 Besluit milieueffectrapportage

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 3 woningen en blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt de bestemmingsregeling nader toegelicht. Voor de onderscheiden hoofdfuncties zijn afzonderlijke bestemmingsregelingen opgesteld die zijn gebaseerd op de overwegingen die in de voorafgaande hoofdstukken zijn verwoord. Op welke wijze een en ander in de bestemmingsregeling concreet verwerkt is wordt hierna beschreven.

Conform de wettelijke verplichting is gebruikgemaakt van de SVBP2012 voor de planregels en de verbeelding.

5.2 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten

Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

5.3 Bestemmingsregels

Agrarisch

De voorzijde langs de Bilderdam en de achterzijde die grenst aan het landelijk gebied, zijn bestemd als Agrarisch. Ter plaatse zijn gebouwen en overkappingen uitgesloten, waarmee een open uitstraling nagestreefd wordt. Tevens mag op deze gronden een toegangsweg / toerit worden aangelegd voor de woningen in de aangrenzende bestemming Wonen.

Wonen

De percelen die bedoeld zijn voor de drie burgerwoningen, zijn voorzien van de bestemming Wonen. Hoewel de exacte positie van de woningen nog niet bekend is, zijn de drie afzonderlijke bouwvlakken zo gepositioneerd dat ze in lijn liggen en logisch in het dijklint passen. Voor de woningen, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen geldt een maximale inhoudsmaat van 750 m3. Daarnaast mag 50 m2 aan overkappingen per woning gerealiseerd worden.

In functionele zin zijn naast het wonen ook aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegestaan. Tot slot is een regeling opgenomen die twee parkeerplaatsen per woning op eigen terrein en binnen de bestemming Wonen verplicht stelt.

5.4 Algemene regels

Antidubbeltelregel

De antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro).

Algemene bouwregels

In de algemene bouwregels zijn mogelijkheden vastgelegd voor ondergronds bouwen. Hiervoor geldt dat dit uitsluitend binnen bouwvlakken is toegestaan en dat de ondergrondse ruimte niet meetelt bij de inhoudsmaat van de woning. Wel is een maximale diepte vastgelegd. 

Algemene gebruiksregels

Algemeen gebruiksverbod

In de algemene gebruiksregels is vastgelegd dat zelfstandige bewoning van of afhankelijke woonruimte in een bijgebouw niet is toegestaan.

Algemene afwijkingsregels

Maten

In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden om beperkte overschrijdingen van voorgeschreven maatvoeringen toe te staan, onder voorwaarde dat dit hiermee geen afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

5.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels

Overgangsrecht bouwwerken

Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag.

Overgangsrecht gebruik

Betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt.

Slotregel

Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Het bestemmingsplan Bilderdam 28 is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening aan diverse instanties toegezonden. Dit betreft de gemeente Nieuwkoop, de gemeente Uithoorn, Hoogheemraadschap Rijnland en provincie Zuid Holland, Waternet (via Rijnland) en Omgevingsdienst West Holland.

Naar aanleiding hiervan zijn reacties ontvangen de provincie Zuid-Holland en Omgevingsdienst West-Holland. Beide reacties zijn als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Hieruit blijkt dat de provincie Zuid-Holland geen opmerkingen had op het plan. Door de omgevingsdienst zijn enkele (tekstuele) voorstellen gedaan om de paragrafen over bodem en ecologie aan te passen. Deze aanpassingen zijn in het plan verwerkt.

Zienswijzen

In het kader van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (zienswijzenprocedure) is het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is vervolgens ongewijzigd vastgesteld.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen.


De gemeenten Kaag en Braassem en Uithoorn hebben samen een anterieure overeenkomst gesloten met de nieuwe eigenaar waarin het kostenverhaal is geregeld. Om die reden wordt afgezien van een exploitatieplan. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar.