direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden
Plan: Buitengebied Kaag en Braassem West
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1884.BPBUITENGEBIEDWEST-VO01

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het uitoefenen van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in lid 1.9 onder a;
  • b. het behoud en herstel van het karakteristieke en cultuurhistorische open weidelandschap, dat gevormd wordt door het nagenoeg ontbreken van bebouwing in de polders;
  • c. een intensieve kwekerij als ondergeschikte productietak;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-veldschuur': uitsluitend veldschuren;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-categorie 1': uitsluitend een kampeerterrein voor verblijfsrecreatieve onderkomens zoals genoemd in lid 1.102 onder a;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-categorie 3': uitsluitend een terrein voor verblijfsrecreatieve onderkomens zoals genoemd in lid 1.102 onder c;

alsmede voor:

  • g. ter plaatse van de aanduiding 'sierteelt': de uitoefening van een sierteeltbedrijf zoals genoemd in lid 1.9 onder f en/of een hoveniersbedrijf waarbij eigen kweek aanwezig dient te zijn;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' het uitoefenen van een intensieve veehouderij uitsluitend bij wijze van neventak;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden': het behoud en de bescherming van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-zwemwater': gronden behorende bij zwemwater met sanitaire voorzieningen;
  • k. het hobbymatig houden van vee;

met daaraan ondergeschikt:

  • l. wandel- en fietspaden;
  • m. kleinschalige natuurontwikkeling;
  • n. de in tabel 3.1 genoemde nevenfuncties met de daarbij behorende maximaal te bebouwen en te gebruiken oppervlaktes; bij een combinatie van nevenfuncties mag ten hoogste 400 m2 worden bebouwd;
  • o. voorzieningen zoals kuilvoerplaten, sleufsilo's, mestvoorzieningen, paardenbakken, groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingswegen en voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, bruggen, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waaronder ook voorzieningen ten behoeve van het bergen van water;

met dien verstande dat:

  • p. erfontsluitingswegen ten behoeve van gronden anders dan gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden, tevens zijn toegestaan.

Tabel 3.1 Toegestane nevenfuncties

Nevenfunctie   max. oppervlak in gebruik voor de nevenfunctie   max. te bebouwen oppervlak voor de nevenfunctie  
veehandelsbedrijven; africhtingsbedrijven voor paarden   -   400 m2  
veearts; hoefsmederij   -   400 m2  
recreatieve paardenhouderij   1.200 m2 binnen het bouwvlak   400 m2  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten   -   400 m2  
verkoop streekeigen producten, boerderijwinkel   -   100 m2  
kinderboerderij   -   400 m2  
kano-, roeiboot- of fietsenverhuur   -   400 m2  
kleinschalig kamperen   2.500 m2 binnen het bouwvlak   -  
recreatief nachtverblijf (bed & breakfast)   -   200 m2  
kampeerboerderij   -   400 m2  
kleinschalige horecagelegenheid   -   100 m2  
museum/tentoonstellingsruimte   -   100 m2  
kunst- of antiekhandel   -   400 m2  

3.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, en (half)verharding mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd;
  • b. in afwijking van het gestelde onder b, mogen ter plaatse van de aanduiding [specifieke bouwaanduiding-waterbassins] waterbassins buiten het bouwvlak gebouwd worden;
  • c. bouwvlakken mogen geheel bebouwd worden;
  • d. in afwijking op het gestelde onder c geldt bij bouwvlakken met de aanduiding 'sierteelt' dat met de maatvoeringsaanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' is aangegeven hoeveel m2 aan kassen en bedrijfsgebouwen (exclusief de bedrijfswoning) binnen het bouwvlak gebouwd mag worden;
  • e. ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding-zonder gebouwen' mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' mag de bebouwing ten behoeve van de productietak intensieve veehouderij niet worden uitgebreid;
  • g. per bouwvlak is 1 bedrijfswoning toegestaan, tenzij met de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' anders is aangeduid;
  • h. in afwijking op het gestelde onder g is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-veldschuur' geen bedrijfswoning toegestaan;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-zwemwater' mogen sanitaire voorzieningen worden gebouwd met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 10 m2;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-categorie 3' is met de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal recreatieve onderkomens' het toegestane maximum aantal verblijfsrecreatieve onderkomens aangeduid;
  • k. overigens geldt het volgende;
  max. inhoud   max. oppervlak   max. goothoogte   max. bouwhoogte  
bedrijfswoningen (inclusief aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen en overkappingen)

* aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen behorende bij de bedrijfswoning





* vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen behorende bij de bedrijfswoning
 
750 m3
 














* 50 m2  
6 m



* de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw + 25 cm tot een maximum van 4 m

* 3 m


 
10 m



* 5 m









* 5 m



 
bedrijfsgebouwen       6 m   10 m  
silo's         12 m  
verblijfsrecreatieve onderkomens in categorie 3     60 m2 (incl. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen)   2,5 m   3,3 m  
veldschuren ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-veldschuur'       3 m   5 m  
erf- en terrein- afscheidingen:
- voor de voorgevel
- buiten het bouwvlak
- elders  
     

1 m
1 m
2 m  
windturbine         15 m  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (geen erf- of terreinafscheidingen)         3 m  

3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Overschrijden bouwvlak

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.2 onder a ten behoeve van de overschrijding van het bouwvlak, met inachtneming van het volgende:

  • a. een doelmatige bedrijfsvoering moet overschrijding van de maatvoering noodzakelijk maken; deze noodzaak is in ieder geval aanwezig, wanneer overschrijding van het bouwvlak noodzakelijk is om aan milieuvoorschriften of aan regelgeving met betrekking tot dierwelzijn te kunnen voldoen;
  • b. het bouwvlak mag eenmalig en aan een zijde met niet meer dan 10 m worden overschreden;
  • c. van de bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt indien de omliggende agrarische bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt;
  • d. de overschrijding van het bouwvlak geen onevenredige afbreuk doet aan de in lid 3.1 onder b genoemde waarden.

3.3.2 Woningsplitsing monumenten

Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de bouwaanduiding 'cultuurhistorische waarden' bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.2 onder e teneinde het aantal wooneenheden in het hoofdgebouw te vermeerderen, met inachtneming van het volgende:

  • a. de wijziging wordt uitsluitend toegepast indien de woningsplitsing bijdraagt aan het behoud of verbetering van het oorspronkelijke en cultuurhistorische waardevolle karakter van de bebouwing;
  • b. de totale inhoud van het hoofdgebouw dat gebruikt wordt voor de woningsplitsing dient ten minste 1.000 m³ te bedragen;
  • c. na splitsing bedraagt het aantal wooneenheden maximaal 2;
  • d. het gebouw dient na woningsplitsing door één aaneengesloten dak afgedekt te blijven;
  • e. het hergebruik dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume: het uitwendige karakter van het hoofdgebouw - zoals dit bepaald is door hoofdafmetingen, onderlinge maatverhoudingen, dakvorm en nokrichting - dient behouden te blijven;
  • f. de splitsing mag niet leiden tot beperkingen voor omliggende (agrarische) bedrijven (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden).

3.3.3 Ten behoeve van extra woonruimte

Het bevoegd gezag kan ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven bij een omgevingsvergunning afwijken van de voor de bedrijfswoning geldende maximale inhoudsmaat, teneinde het mogelijk te maken de inhoud van de woning te vergroten tot 900 m³, zulks ten behoeve van de inwoning van een tweede arbeidskracht of een rustende boer, met inachtneming van het volgende:

  • a. de initiatiefnemer dient met een schriftelijk advies van een agrarisch deskundige aan te tonen dat er sprake is van een duurzaam, volwaardig agrarisch bedrijf en of de extra woonruimte noodzakelijk is voor de huisvesting van een tweede arbeidskracht of een rustende boer;
  • b. de omgevingsvergunning wordt niet verleend indien op het bouwvlak reeds een woning aanwezig is die voor de bedoelde huisvesting geschikt is of geschikt te maken is;
  • c. indien de woning deel uitmaakt van een groter gebouw, vindt uitbreiding van de woning plaats door gebruik te maken van ruimten binnen dat grotere gebouw; alleen indien dit niet mogelijk of doelmatig is kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken voor uitbreiding van de woning door middel van nieuwbouw of, indien ook dat niet mogelijk is, door gebruik van een (deel van een) ander gebouw;
  • d. indien de ruimte van 150 m³ wordt gerealiseerd in een ander gebouw dan de woning, is de afwijking voor bewoning strikt persoonsgebonden;
  • e. de extra woonruimte dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden);
  • f. ter plaatse van de extra woonruimte dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

3.3.4 Ten behoeve van een tweede bedrijfswoning

Het bevoegd gezag kan ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 onder g ten behoeve van de bouw van een tweede agrarische bedrijfswoning, met inachtneming van het volgende:

  • a. van de bevoegdheid tot afwijken wordt uitsluitend gebruikgemaakt indien sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf met een bedrijfsgrootte groot genoeg voor tenminste 2 volledige arbeidskrachten (wat betreft levende have) en waar permanente toezicht vereist is;
  • b. de tweede bedrijfswoning dient noodzakelijk te zijn, wat betekent dat het bedrijf zonder tweede bedrijfswoning ter plaatse op langere termijn redelijkerwijs niet te exploiteren is;
  • c. het bedrijf mag niet eerder over een tweede agrarische bedrijfswoning beschikt hebben;
  • d. de initiatiefnemer dient met een schriftelijke advies van een agrarisch deskundige aan te tonen dat aan het gestelde onder a en b wordt voldaan;
  • e. de bedrijfswoning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden).

3.3.5 Ten behoeve van openbare recreatieve voorzieningen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunnig afwijken van het gestelde in lid 3.2, ten behoeve van de realisatie van openbare recreatieve voorzieningen, zoals vis- zwem- of aanlegsteigers, picknickplaatsen, speelvoorzieningen, informatiepanelen, fietsenrekken en soortgelijken bouwwerken, met inachtneming van het volgende:

  • a. de voorzieningen mogen geen afbreuk doen aan de bestaande landschaps- en natuurwaarden;
  • b. de voorzieningen mogen geen onevenredig grote verkeersaantrekkende werking hebben en er mag geen verslechtering optreden in de verkeersafwikkeling ter plaatse;
  • c. de voorzieningen dienen openbaar toegankelijk te zijn.

3.4 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. de teelt van maïs ten dienste van het eigen bedrijf is toegestaan voor maximaal 20% van het bedrijfsoppervlak, met uitzondering van gronden voorzien van de gebiedsaanduiding 'milieuzone-ruwvoeder zoals genoemd in artikel 38.2, met dien verstande dat maïs uitsluitend op een afstand van minimaal 2 m van de weg moet worden gesitueerd;
  • b. faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten, zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak, waarbij ten behoeve van paardenbakken tevens de volgende regels gelden:
    • 1. per bouwvlak is ten hoogste één paardenbak toegestaan;
    • 2. de afmeting van de paardenbak bedraagt maximaal 20 bij 40 m;
    • 3. lichtmasten zijn niet toegestaan;
  • c. ten behoeve van de in tabel 3.1 en 3.2 genoemde nevenfuncties gelden de volgende gebruiksregels:
    • 1. het oprichten van nieuwe bebouwing is niet toegestaan;
    • 2. het oprichten van lichtmasten, lichtbakken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van reclameborden en/of neonreclame is niet toegestaan;
    • 3. voor de nevenfunctie kleinschalig kamperen gelden de volgende regels:
      • kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
      • het aantal kampeermiddelen mag ten hoogste 25 bedragen;
      • het plaatsen van stacaravans is niet toegestaan;
      • ten behoeve van het kleinschalig kamperen mogen op het bouwvlak sanitaire voorzieningen worden gebouwd.
    • 4. opslag van stoffen en producten die gevaar of milieuoverlast kunnen opleveren, is in geen geval toegestaan;
    • 5. buitenopslag is in geen geval toegestaan.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Nevenfuncties

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 onder m, ten behoeve van het toestaan van de in tabel 3.2 genoemde niet-agrarische nevenfuncties binnen het bouwvlak, met inachtneming van het volgende:

  • a. nevenfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden);
  • b. bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden, zoals bedoeld in 3.1onder b, in de omgeving mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • c. de initiatiefnemer dient met een schriftelijke advies van een deskundige inzake cultuurhistorie en landschap aan te tonen dat aan het gestelde onder b wordt voldaan;
  • d. ten behoeve van de nevenfuncties mag nieuwe bebouwing worden opgericht tot het maximaal oppervlak zoals is aangegeven in tabel 3.2, met dien verstande dat:
    • 1. voor opslag mogen géén nieuwe gebouwen of kassen worden gebouwd;
    • 2. evenmin mogen bestaande gebouwen en/of kassen ten behoeve van opslag als nevenfunctie worden uitgebreid;
  • e. een buitenrijbaan of een uitloop is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • f. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor reclameborden en/of neonreclame is niet toegestaan, hetzelfde geldt voor lichtmasten en lichtbakken;
  • g. er dient op eigen terrein en binnen het bouwvlak voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid voor de betreffende functie;
  • h. nevenfuncties zijn uitsluitend toegestaan indien de nevenfunctie geen onevenredig grote verkeersaantrekkende werking heeft en er geen verslechtering optreedt in de verkeersafwikkeling ter plaatse;
  • i. de nevenfuncties dierenpension en hondenkennel zijn uitsluitend toegestaan indien de afstand van de nevenfunctie tot woningen van derden ten minste 100 m bedraagt;
  • j. de bodem dient geschikt te zijn voor de voorgenomen nevenfunctie.

Tabel 3.2 Toegestane nevenfuncties na afwijking bij een omgevingsvergunning

Nevenfunctie   max. oppervlak in gebruik voor de nevenfunctie   max. te bebouwen oppervlak voor de nevenfunctie  
agrarische loonbedrijven in de categorieën 1 t/m 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   -   500 m2  
hoveniersbedrijf in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   -   400 m2  
opslag/stalling van niet-agrarische goederen in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in bestaande gebouwen   -   400 m2  
overige bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   -   400 m2  
mestvergisting   1.800 m2   400 m2  
paardenstalling/paardrijactiviteiten   binnen het bouwvlak: een paardenbak met een afmeting van 1.200 m2,   500 m2  
poldersport   buiten, maar aansluitend aan het bouwvlak 2 ha   400 m2  
verhuur/gebruik van ruimten voor sociaal maatschappelijke activiteiten, zoals workshops, verenigingen en ateliers   -   100 m2  
sociale nevenfunctie (resocialisatie, therapie, gehandicaptenzorg, kinderopvang)   -   400 m2  
dierenpension   -   400 m2  
hondenfokkerij   -   400 m2  

3.5.2 Algemene bevoegdheid tot afwijking ten behoeve van nevenfuncties

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de typen nevenfuncties zoals genoemd in tabel 3.1 en 3.2, teneinde nevenfuncties toe te laten die naar aard, omvang en invloed op de omgeving geacht kunnen worden te behoren tot de in tabel 3.1 en 3.2 toelaatbare nevenfuncties met inachtneming van de voorwaarden zoals genoemd in lid 3.5.1.

3.5.3 Verhuur tweede bedrijfswoning

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gebruik van de tweede bedrijfswoning als zodanig, met inachtneming van het volgende:

  • a. van het gebruik van de woning als tweede bedrijfswoning mag worden afgeweken voor de volgende activiteiten;
    • 1. verhuur aan derden ten behoeve van permanente bewoning voor maximaal 5 jaar;
    • 2. verhuur aan derden ten behoeve van verblijfsrecreatie;
    • 3. verhuur als groepsaccommodatie;
  • b. uitsluitend de tweede bedrijfswoning mag verhuurd worden;
  • c. het verhuur dient een nevenactiviteit te betreffen bij de bestaande agrarische bedrijfsvoering;
  • d. het verhuur dient milieu-hygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande agrarische bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden);
  • e. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van het verhuur dient niet onevenredig groot te zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit;
  • f. parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden.

3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.6.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen gebouw zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. ontginnen, ophogen, afgraven, bodemverhogen, egaliseren (>50 cm);
  • b. aanbrengen opgaande beplantingen (met uitzondering van erfbeplanting);
  • c. aanleg van verharde wandel-, fiets- en ruiterpaden en (half-)verhardingen > 50 m2(niet zijnde kavelpaden);
  • d. dempen, graven, vergroten of herprofileren van waterlopen.

3.6.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van 3.6.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. binnen het bouwvlak plaatsvinden;
  • b. normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • d. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning;
  • e. het dempen van dwarssloten (breedtesloten) betreffen;
  • f. de aanleg van dammen en onderbemaling betreffen.

3.6.3 Voorwaarden van een omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, zoals bedoeld in 3.1 onder b, in de directe omgeving niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, hetgeen door de aanvrager wordt aangetoond met een schriftelijk advies van een deskundige inzake cultuurhistorie en landschap.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid
3.7.1 Vergroten bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om het agrarische bouwvlak te vergroten tot maximaal 2 ha, met inachtneming van het volgende;

  • a. uitbreiding is alleen toegestaan indien het een volwaardig agrarisch bedrijf betreft;
  • b. de bedrijfseconomische noodzaak van de uitbreiding dient door de initiatiefnemer met een schriftelijk advies van een agrarische deskundige aangetoond te worden;
  • c. de uitbreiding van het agrarische bedrijf dient milieu-hygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden);
  • d. het aantal woningen mag niet toenemen;
  • e. bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden, zoals bedoeld in 3.1onder b, in de directe omgeving dienen niet onevenredig te worden aangetast;
  • f. de initiatiefnemer dient met een schriftelijke advies van een deskundige inzake cultuurhistorie en landschap aan te tonen dat aan het gestelde onder e wordt voldaan.

3.7.2 Vervolgfuncties

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om een bouwvlak met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden zodanig te wijzigen dat – indien sprake is van een algehele beëindiging van een agrarisch bedrijf – de in tabel 3.3 genoemde vervolgfuncties toegestaan zijn, met dien verstande dat:

  • a. de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast indien het agrarisch gebruik beëindigd is en is aangetoond dat op het betreffende perceel het uitoefenen van een agrarisch bedrijf niet meer mogelijk is;
  • b. de vervolgfunctie dient milieu-hygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden);
  • c. de initiatiefnemer dient met een schriftelijke advies van een agrarisch deskundige aan te tonen dat aan het gestelde onder a en b wordt voldaan;
  • d. er na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid geen nieuwe gebouwen mogen worden gebouwd en bestaande gebouwen niet mogen worden uitgebreid;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder b geldt dat indien bestaande vrijkomende bedrijfsgebouwen niet geschikt zijn voor de vervolgfunctie, de huidige bebouwing gesloopt mag worden, waarbij geldt dat maximaal 50% van het gesloopte bebouwingsoppervlak mag worden teruggebouwd tot een maximum van 500 m²;
  • f. na de bestemmingswijziging dient de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijfscomplex' te worden opgenomen;
  • g. er mag geen sprake zijn van buitenopslag;
  • h. bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden, zoals bedoeld in 3.1onder b, in de directe omgeving dienen niet onevenredig te worden aangetast;
  • i. de initiatiefnemer dient met een schriftelijke advies van een deskundige inzake cultuurhistorie en landschap aan te tonen dat aan het gestelde onder h wordt voldaan;
  • j. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van vervolgfuncties dient niet onevenredig groot te zijn en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit;
  • k. parkeren dient binnen het bouwvlak plaats te vinden;
  • l. het aantal woningen niet mag toenemen;

Tabel 3.3 Toegestane vervolgfuncties

Vervolgfuncties  
wonen, hobbyboerachtige activiteiten  
agrarische loonbedrijven in de categorieën 1 , 2 en 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten  
veehandelsbedrijven, africhtingsbedrijven voor paarden  
hoefsmederij, veearts  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten  
hoveniersbedrijf in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten  
opslag/stalling van goederen in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in bestaande gebouwen, niet zijnde kassen  
overige bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (onder andere aannemersbedrijf, schildersbedrijf, meubelstoffeerderij, pottenbakkerij)  
jachtwerf in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten  
watersportbedrijf in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten  
recreatiebedrijven, horeca, verblijfsrecreatie  
kinderboerderij  
manege  
paardenstalling, paardrijactiviteiten  
verblijfsrecratieve appartementen  
kampeerboerderij  
sociale vervolgfunctie (resocialisatie, therapie, gehandicaptenzorg, kinderopvang)  
museum, tentoonstellingsruimte  
kunst- of antiekhandel  

3.7.3 Algemene bevoegdheid tot afwijking ten behoeve van vervolgfuncties

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de typen vervolgfuncties zoals genoemd in tabel 3.3, teneinde vervolgfuncties toe te laten die naar aard, omvang en invloed op de omgeving geacht kunnen worden te behoren tot de in tabel 3.3 toelaatbare vervolgfuncties met inachtneming van de voorwaarden zoals genoemd in lid 3.7.2.

3.7.4 Ruimte voor ruimte regeling

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om met toepassing van de Ruimte-voor-ruimteregeling de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden te wijzigen in de bestemming Wonen ten behoeve van de bouw van een extra woning in ruil voor de sloop van alle op het bouwvlak aanwezige bedrijfsbebouwing, met inachtneming van het volgende:

  • a. voor de sloop of sanering op één of meerdere percelen van iedere 1.000 m² gebouwen mag één compensatiewoning worden gebouwd;
  • b. het aantal compensatiewoningen mag maximaal drie bedragen;
  • c. de te slopen gebouwen of kassen dienen opgericht te zijn voor de peildatum van 1 januari 2007;
  • d. de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse dient duurzaam verbeterd te worden;
  • e. de nieuwe woningen dienen voorzien te worden van een goede landschappelijke inpassing;
  • f. de nieuwe woningen dienen milieu-hygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden).

3.7.5 Nieuwe landgoederen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden te wijzigingen in de bestemming Wonen en Natuur ten behoeve van de realisatie van een nieuw landgoed, met inachtneming van het volgende:

  • a. de realisatie is uitgesloten in de Ecologische Hoofdstructuur en gerealiseerde recreatiegebieden, zoals opgenomen in de Provinciale Verordening Zuid-Holland;
  • b. in nog niet gerealiseerde ecologische verbindingen van de Ecologische Hoofdstructuur is realisatie alleen toegestaan als het huiskavel buiten de verbinding wordt gerealiseerd;
  • c. de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt duurzaam verbeterd;
  • d. het landgoed wordt minimaal 5 ha groot en is nagenoeg aaneengesloten;
  • e. minimaal 90% van het gebied is voor het publiek toegankelijk;
  • f. maximaal 10% van het gebied behoort tot het private deel, deze huiskavel mag voor maximaal 20% worden bebouwd, waarbij 1 landhuis met maximaal 3 wooneenheden is toegestaan;
  • g. het gebied genoemd onder e mag niet worden bebouwd en dient ingericht te worden met groene en/of blauwe functies die aansluiten bij het bij het gebied passende natuurdoeltype;
  • h. het landgoed dient milieu-hygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden).

3.7.6 Wro-zone - wijzigingsgebied 3

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 3' de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden te wijzigingen in de bestemming Recreatie-Dagrecreatie met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-watersport' ten behoeve van voorzieningen voor de watersport en een logiesgebouw, met inachtneming van het volgende:

  • a. op deze gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, alsmede ten hoogste één gebouw voor opslag met een oppervlak van ten hoogste 100 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 m;
  • b. de uitbreiding mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
  • c. de initiatiefnemer dient met een schriftelijke advies van een deskundige inzake cultuurhistorie en landschap aan te tonen dat aan het gestelde onder b wordt voldaan;
  • d. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking van de locatie mag door de uitbreiding niet onevenredig worden vergroot en de bestaande infrastructuur dient berekend te zijn op de nieuwe activiteit.