direct naar inhoud van 3.3 Provinciaal en regionaal beleid
Plan: Buitengebied Kaag en Braassem West
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1884.BPBUITENGEBIEDWEST-VO01

3.3 Provinciaal en regionaal beleid

3.3.1 Agenda Landbouw (26 januari 2011)

Met deze Agenda Landbouw geeft de Provincie Zuid-Holland de aanzet voor een provinciaal landbouwbeleidskader tot 2025. De provincie doet met de Agenda tevens voorstellen voor een aantal maatregelen op korte termijn en biedt een stimuleringsprogramma aan. De maatregelen zijn met name gericht op versterking van de landbouwstructuur en richten zich vooral op het gebied van ruimtelijke ordening. De Agenda richt zich op de grondgebonden landbouw, die voor het overgrote deel kan worden gevat onder de deelgebieden melkveehouderij en akkerbouw.

Het plangebied is gelegen in de zones:

  • landbouw onder invloed van de stad (blauw);
  • landbouwgebieden met een opgave (oranje).

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBUITENGEBIEDWEST-VO01_0017.jpg"

Landbouw onder invloed van de stad

Het westelijke deel van het plangebied valt onder deze zone. Deze gebieden hebben een hoge prioriteit om de regionale markt te gebruiken voor de afzet van (specialistische) producten en diensten. Het landschap bij de stad is de ruimte waarin recreatie, cultuurhistorie, biodiversiteit en landbouw elkaar ontmoeten. De nabijheid van een grote stedelijke markt biedt specifieke kansen en uitdagingen voor de ontwikkeling van de landbouw.

Beleidslijnen zijn:

  • Ruimte bieden voor bouwpercelen (bouwsteden) van maximaal 2 ha.
    Ook in agrarische gebieden bij de stad is schaalvergroting mogelijk. Een bouwstede van twee hectare volstaat ruimschoots voor bedrijven van ongeveer 200 melkkoeien, de benodigde machineloodsen en een bedrijfswoning. Deze maat verhindert aan de andere kant de komst van extreem grote gebouwen als megastallen. Bij deze maatvoering wordt inpassing van gebouwen in het landschap mogelijk geacht binnen de kaders van de gebiedsprofielen Ruimtelijke Kwaliteit en regioprofielen (kroonjuwelen en topgebieden) Cultuurhistorie.
  • Dempen van dwarssloten vergunningvrij maken voor aspect landschap.
    Dwarssloten leiden tot meer arbeid bij het maaien en tot meer transportbewegingen in de weilanden. Voor het in stand houden van de landschappelijke kernkwaliteiten zijn de dwarssloten niet essentieel. Op dit moment is volgens de landschapsverordening VBNL een ontheffing nodig voor slootdempingen in verbodsgebieden. Voor dwarssloten zal deze ontheffing niet langer vereist zijn. Dit doet niets af aan de vereiste van andere vergunningen of ontheffingen (bijvoorbeeld vanuit de Keur van het Waterschap of voor gebruik van bepaalde materialen).

Landbouwgebieden met een opgave

Het oostelijke deel van het plangebied valt onder deze zone. Dit zijn gebieden waar de huidige of toekomstige omstandigheden zullen leiden tot lagere productiviteit en rendabiliteit. In de veenweidegebieden komt dit door het voortdurend blijven dalen van de bodem. In de droogmakerijen vormt het grondwater een bedreiging. Het grondwater dient weggepompt te worden naar het boezemsysteem om de polder droog te houden, hetgeen leidt tot verzilting van de bodem. Voor de 'landbouwgebieden met een opgave' ligt er een transformatieopgave. Deze transformatie kan een andere vorm van landbouw inhouden (meer rendement), maar ook een overgang naar andere functies.

Beleidslijnen zijn:

  • ruimte bieden voor bouwpercelen (bouwsteden) van maximaal 2 ha;
  • vanuit dezelfde gedachte als voor Landbouw onder invloed van de stad;
  • dempen van dwarssloten vergunningvrij maken voor aspect landschap;
  • vanuit dezelfde gedachte als voor Landbouw onder invloed van de stad.

In de Agenda landbouw zijn regels opgenomen ten aanzien van de teelt van maïs/ruwvoeder.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBUITENGEBIEDWEST-VO01_0018.jpg"

De provincie regelt:

  • a. (oranje) voor de kwetsbare veenweidegebieden zoals opgenomen op de Maïs/ruwvoederkaart Provinciale Structuurvisie dat 0% maïs/ruwvoeder is toegestaan, teneinde de bodemdaling tegen te gaan;
  • b. (geel) voor de overige (minder kwetsbare) veengebieden alsmede landgoederenlandschap zoals aangeduid op de kwaliteitskaart van de PSV mag op maximaal 20% van de bedrijfsoppervlakte ruwvoerteelt plaatsvinden. Dit percentage wordt gesteld om landschappelijke redenen, natuurwaarden (weidevogels) en een (beperkt) positief effect op nog aanwezige bodemoxidatie. Gemeenten kunnen een uitzondering maken voor ondernemers in kwetsbare gebieden die aan kunnen tonen dat de teelt op zodanige wijze plaatsvindt dat dit geen invloed heeft op de bodemdaling.
3.3.2 Structuurvisie Zuid-Holland (vastgesteld 2 juli 2010)

In de Visie op Zuid-Holland beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen. De kern van Visie op Zuid-Holland is het versterken van samenhang, herkenbaarheid en diversiteit binnen Zuid-Holland. Dit draagt bij aan een goede kwaliteit van leven en een sterke economische concurrentiepositie.

De provincie Zuid-Holland wil dat de afwisseling in landschappen en de kenmerkende waardevolle landschappen behouden blijven. Op grond van de verschillen in bodem, ontstaansgeschiedenis, het huidige gebruik en de verschijningsvorm is een onderscheid gemaakt. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijvoorbeeld de identiteit van gebieden versterken door oude verkavelingspatronen zichtbaar te maken. Op de kwaliteitskaart is een verzameling van kenmerkende landschapselementen aangegeven die in veel van de landschappen het beeld mede bepalen. Voor het plangebied betreft het de volgende landschappen.

  • Droogmakerijenlandschap:
    droogmakerijen zijn ontstaan door (delen van) meren en plassen in het veengebied te bedijken en leeg te malen. Het landschap is visueel open, met een regelmatig, bedacht patroon van weiden en akkers en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving.
  • Veenweidelandschap:
    karakteristiek zijn de verschillende (regelmatige) verkavelingspatronen met smalle kavels en veel sloten met hoog waterpeil en de aanwezigheid van kades, lintdorpen, oude dorpskernen, kronkelende veenriviertjes, openheid, grasland, vee, (weide) vogels, en hier en daar rietlanden en moeras.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBUITENGEBIEDWEST-VO01_0019.png"

Cultuurhistorie is een van de dragers van ruimtelijke kwaliteit. De opgave voor het ruimtelijk beleid is om vanuit een integraal perspectief:

  • te bevorderen dat cultuurhistorisch waardevolle structuren, complexen, ensembles en elementen behouden blijven;
  • te bevorderen dat de cultuurhistorie kan worden beleefd en bijdraagt aan de recreatief toeristische kwaliteit van het landelijk gebied.

Binnen de provincie ligt hierbij het accent op die gebieden en structuren waar cultuurhistorische waarden in hoge mate voorkomen. Dit betreft de zogeheten topgebieden en kroonjuwelen cultureel erfgoed. Beide zijn weergegeven op de kwaliteitskaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBUITENGEBIEDWEST-VO01_0020.jpg"

  • Cultureel erfgoed kroonjuweel:
    gebieden binnen de topgebieden cultureel erfgoed waar cultuurhistorische en landschappelijke waarden in zeer sterke mate en in onderlinge samenhang bepalend zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van een plek.
  • Cultureel erfgoed topgebied:
    gebieden waar cultuurhistorische en landschappelijke waarden in bijzondere mate en in onderlinge samenhang voorkomen. Het cultureel erfgoed is hier nog in grote mate bepalend voor het karakter en de ruimtelijke kwaliteit.

Verder het bebouwingslint van Zevenhuizen en een deel van Oude Ade aangegeven als:

  • Dijk met (cultuurhistorisch waardevol) bebouwingslint:
    aanduiding voor landschappelijk waardevolle en/of cultuurhistorisch waardevolle aaneengesloten bebouwing in een lint langs wegen, waterwegen of dijken. In bebouwingslinten is alleen incidentele toevoeging van bebouwing mogelijk, onder voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt.

Op de functiekaart van de structuurvisie is het plangebied als volgt aangewezen:

  • Agrarisch gebied-inspelen op verbinding stad en land:
    • 1. landelijk gebied in de stedelijke invloedssfeer met landschappelijke, cultuurhistorische en recreatieve waarden met een overwegend agrarische functie, verspreid gelegen natuurwaarden en bebouwingslinten;
    • 2. stimuleren van verbrede landbouw: naast voedselproductie zal de ondernemer andere diensten kunnen leveren, mede omdat de ruimte voor schaalvergroting in deze gebieden beperkter is;
    • 3. kansrijke mogelijkheden voor landbouwbedrijven die niet verder kunnen uitbreiden en/of geconfronteerd worden met ruimtelijke beperkingen, zijn onder meer (verblijfs)recreatie, streekeigen producten, groenblauwe diensten, educatie en zorg;
    • 4. ook agrarisch natuur- en landschapsbeheer dragen bij aan stedelijke wensen voor een afwisselend en aantrekkelijk landschap.
  • Natuurgebied:
    • 1. gebied/verbinding met als hoofdfunctie natuur;
    • 2. recreatief medegebruik mogelijk, mits niet in strijd met de hoofdfunctie.
  • Verblijfsrecreatiegebied:
    • 1. gebied met hoofdfunctie verblijfsrecreatie (campings, bungalowparken en dergelijke).
  • Provinciaal landschap:
    • 1. openheid en vitaliteit van het agrarisch landschap waarborgen, gericht op verbrede landbouw, behoud natuurwaarden en sanering van verspreid glas;
    • 2. herinrichting van bestaande en ontwikkeling van nieuwe recreatiegebieden afstemmen op de actuele recreatieve vraag en de landschappelijke identiteit;
    • 3. duurzaam waterbeheer door minimale verdroging van veengebieden en inrichting van waterbergingsgebieden;
    • 4. bescherming en versterking cultuurhistorische kwaliteiten (topgebied en kroonjuweel).

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBUITENGEBIEDWEST-VO01_0021.png"

De provincie heeft in de structuurvisie tevens haar doelstellingen ten aanzien van de ontwikkeling van de Ecologische Hoofdstructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBUITENGEBIEDWEST-VO01_0022.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBUITENGEBIEDWEST-VO01_0023.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPBUITENGEBIEDWEST-VO01_0024.png"

De Ecologische Hoofdstructuur is beschermd door een 'nee, tenzij-beleid'. In deze gebieden zijn geen ontwikkelingen toegestaan die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden.

Weidevogelgebieden en overige natuurwaarden

Ook buiten de bestaande natuur(gebieden) zijn er veel natuurwaarden in het landelijk gebied. Vaak zijn die kleinschaliger of hangen ze samen met een andere functie in het gebied, zoals weidevogels in het weidelandschap. De grondgebonden veehouderij speelt hierbij een belangrijke rol. Ook deze waarden zijn belangrijk en moeten door gemeenten beschermd worden.

3.3.3 Verordening Ruimte (vastgesteld 2 juli 2010) en 1e herziening (februari 2011)

In samenhang met de structuurvisie is ook de Verordening Ruimte opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. De volgende bepalingen zijn relevant voor het bestemmingsplan:

Regels voor het gebied buiten bebouwingscontouren

Bebouwing ten behoeve van stedelijke functies buiten bebouwingscontouren is niet toegestaan, uitzonderingen hierop zijn onder andere:

  • 1. ruimte voor ruimte: ter verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Er moet een substantiële vermindering van bebouwing ontstaan. In ruil voor de gesloopte bebouwing mogen woningen worden gebouwd;
  • 2. nieuwe landgoederen: ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt duurzaam verbeterd; niet in Ecologische Hoofdstructuur, maar wel in nog niet gerealiseerde Ecologische verbindingszone; minimaal 5 ha, waarvan 90% voor publiek toegankelijk;
  • 3. niet-agrarische functies (waaronder woningen) in vrijkomende agrarische bebouwing: geen belemmeringen voor omliggende agrarische bedrijven; binnen bestaande bebouwing; geringe verkeersaantrekkende werking; beperkte uitbreiding bebouwing slechts mogelijk voor zorgfuncties;
  • 4. woningen in bebouwingslinten na sloop bestaande bebouwing;
  • 5. eenmalige uitbreiding bestaande niet-agrarische functies met ten hoogste 10%;
  • 6. eenmalige uitbreiding agrarisch aanverwante bedrijven met ten hoogste 10%; of 30% indien verplaatsing naar een bedrijventerrein niet mogelijk is en maatregelen worden getroffen voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • 7. geen maximale inhoudsmaat burgerwoningen;
  • 8. geen nieuwe (bedrijfs)woningen bij niet-agrarisch bedrijven, agrarisch aanverwante bedrijven en niet volwaardige agrarische bedrijven.

Nieuwe bebouwing ten behoeve van recreatieve functies buiten bebouwingscontouren is toegestaan voor:

  • kleinschalige bebouwing, uitgezonderd recreatiewoningen en bedrijfswoningen, passend bij en ondersteunend aan de recreatieve functie van een gebied;
  • recreatiewoningen binnen gebieden voor verblijfsrecreatie.

Agrarische bedrijven

In de verordening zijn specifieke regels opgenomen waarmee in bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden:

  • agrarische bebouwing wordt geconcentreerd binnen het bouwperceel dat een maximale omvang heeft van 2 ha;
  • nieuwe bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijfsvoering;
  • voor een volwaardig agrarisch bedrijf is maximaal een bedrijfswoning toegestaan of het aantal dat reeds is vergund;
  • nieuwe intensieve veehouderijen zijn uitgesloten;
  • nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven is buiten de concentratiegebieden niet toegestaan;
  • bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven is een oppervlak van 2 ha aan kassen toegestaan;
  • nieuwvestiging van boom- en sierteeltbedrijven is buiten de concentratiegebieden niet toegestaan;
  • bij bestaande volwaardige boom- en sierteeltbedrijven is een oppervlak van 300 m² aan kassen toegestaan;
  • nevenfuncties zoals zorg, minicampings en overige agro-gerelateerde voorzieningen zijn onder voorwaarden bij agrarische bedrijven toegestaan.

Ecologische Hoofdstructuur

  • Bestemmingsplannen dienen de bestaande natuurgebieden te beschermen tegen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden.
  • Bestemmingsplannen voor de gronden die zijn aangewezen als zoekgebied wijzen geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken.

Nationale en provinciale landschappen

  • Bestemmingsplannen voor gronden gelegen binnen de begrenzing van het nationale landschap Groene Hart mogen alleen ontwikkelingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten van deze gebieden behouden of versterken. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt onderbouwd op welke wijze of met welke maatregelen de kernkwaliteiten kunnen worden behouden of versterkt.
  • Bestemmingsplan voor gronden die gelegen zijn binnen de begrenzing van het Groene Hart, provinciale landschappen en nationale landschappen moeten een beeldkwaliteitsparagraaf bevatten. De toelichting moet ten minste een verantwoording bevatten van de mate waarin nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies aansluiten bij genoemde aspecten en de wijze van inpassing in de wijdere omgeving.

Molenbiotoop

  • Bestemmingsplannen voor gronden binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens zoals aangeduid op kaart 11, moeten de vrije windvang en het zicht op de molen voldoende garanderen.
  • Oprichten van nieuwe bebouwing binnen een molenbiotoop is mogelijk indien de vrije windvang en het zicht op de molen al beperkt is of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zich op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd.
3.3.4 Landschapsontwikkelingsplan Rijn en Veenstreek (februari 2010)

De visie van het landschapsontwikkelingsplan (LOP) zal inclusief het uitvoeringsplan worden vastgesteld door de vijf gemeenteraden (Alkemade, Alphen aan den Rijn, Jacobswoude, Nieuwkoop en Rijnwoude). Daarna vormt het plan een beleidskader om bestaande waarden te behouden en nieuwe ontwikkelingen aan te toetsen. Voor nieuwe ontwikkelingen geeft het LOP ook streefbeelden. Voor nieuwe ontwikkelingen stelt het plan randvoorwaarden, bijvoorbeeld ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Het plan vormt daardoor een aanvulling op structuurvisies en bestemmingsplannen die aangeven welke functies, waar gewenst zijn.

Het westelijke deel van het plangebied is in het LOP aangeduid als Waterrijk veenweidegebied, met de volgende visie:

  • behouden open veenweidegebied met grillige verkaveling en weidevogelkwaliteiten;
  • behouden groot aantal molens en karakteristieke dorpsgezichten.

Het oostelijk deel van het plangebied is in het LOP aangeduid als Grootschalige droogmakerijen, met de volgende visie:

  • behouden robuuste landbouwgebieden met open karakter en rationele verkaveling;
  • behouden herkenbare markante hoogteverschillen tussen laag gelegen droogmakerijen en hoger gelegen veengronden of bebouwingslinten;
  • inpassen (agrarische) bedrijven met goede erfbeplantingen.

De plassen zijn in een aparte zone opgenomen, met de visie:

  • verbeteren openbare toegankelijkheid en natuurwaarden oevers en uitzicht op het water.
3.3.5 Regionale Structuurvisie 2010-2020 Holland Rijnland

In deze Regionale StructuurVisie van Holland Rijnland wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke

ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie wordt voor het veenweidegebied waar het plangebied deel van uitmaakt de volgende uitgangspunten geformuleerd:

  • kernkwaliteiten behouden en versterken en hierop nieuwe ontwikkelingen afstemmen;
  • de veehouderij is de drager van het open landschap;
  • planologische zekerheid bieden aan de veehouderij, die de drager is van het open landschap;
  • mogelijkheden bieden voor herstructurering, schaalvergroting en/of verbreding van grondgebonden agrarische bedrijven, waarbij de openheid en het karakter van het Groene Hart gewaarborgd blijft;
  • ruimte bieden voor uitbreiding recreatie en (agro-)toerisme;
  • het landelijk gebied bereikbaar maken via langzaamverkeersroutes en OV;
  • de Grote Polder blijft open;
  • investeren in de ecologische verbindingszones binnen het gebied Duin, Horst en Weide (van de zee, via de horsten naar het veenweidegebied en Bentwoud);
  • realisatie van de recreatieve verbindingen vanuit de stad naar en binnen de gebieden Duin, Horst en Weide en Leidse Ommelanden;
  • kleinschalige toevoeging van woningbouw;
  • concentratie van woningbouw in Braassemerland door transformatie van (een deel van het) glas naar woningen.