Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Zwarteweg 6 te Oud Ade
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1884.BPKBZWARTEWEG62011-VAS1

4.7 Ecologie

4.7.1 Inleiding
In het kader van  een goede ruimtelijke onderbouwing moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige beschermde natuurgebieden en dier- en plantsoorten zoals de Natuurbeschermingswet (1998) en Flora- en faunawet (2002) die aangeven. Als hier sprake van is, moet worden afgeweken door middel van een omgevingsvergunning.
Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied in het kader van bijvoorbeeld de Habitat- of Vogelrichtlijn. Wat betreft soortbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van dier- en plantsoorten geregeld.    
4.7.2 Natuurbeschermingswet
De bescherming van soorten is geregeld in de Flora- en faunawet. De Natuurbeschermingswet 1998 is op 1 oktober 2005 gewijzigd. Sindsdien zijn de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Natuurbeschermingswet verwerkt. De volgende gebieden worden aangewezen en beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet: 
  • Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.
Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. 
 
Conclusie
Onderhavig plangebied is niet gelegen in of nabij een Natura 2000- gebied of een Beschermd of Staats natuurmonument en is niet aan te merken als wetland. De Natuurbeschermingswet vormt geen belemmering voor onderhavig plan
4.7.3 Ecologische Hoofdstructuur (EHS)
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van de provincie Zuid-Holland sluit aan de bij nationale EHS. De EHS van Nederland maakt weer onderdeel uit van het Europese netwerk van natuurgebieden. Dit netwerk wordt aangeduid als de Natura-2000 gebieden.
De EHS is een robuust netwerk van alle belangrijke natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Het netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De EHS omvat belangrijk leefgebied voor veel, soms zeldzame, soorten planten en dieren.
 
Om de aansluiting met het nationale en Europese netwerk optimaal te houden werkt de provincie momenteel hard aan de EHS. Het doel is deze in 2018 gereed te hebben.
 
Conclusie
Gelet op de ligging binnen bestaand bebouwd gebied en het feit dat er geen sloop of kapwerkzaamheden plaatsvinden, kan worden aangenomen dat onderhavig plan geen negatief effect heeft op de Ecologische Hoofdstructuur.
4.7.4 Flora- en faunawet
Sinds 1 april 2002 regelt de Flora- en faunawet de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. Deze wet biedt het juridisch kader voor de bescherming van dier- en plantensoorten in Nederland en bevat onder andere de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LBV (artikel 75, lid 3).
 
Op grond van de flora en fauna wetgeving dient dus onderzocht te worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten, de zogenaamde rode lijst, en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Hier betreft het de sloop van een woning en een recreatiewoning en de bouw van twee woningen binnen een bestaand woningbouwgebied in het buitengebied.
Gezien het huidige gebruik voor woondoeleinden is het niet te verwachten dat de projectlocatie enige waarde als habitat heeft. De bestaande opstallen worden intensief gebruikt, namelijk als garage, bootstalling en opslag van tuingereedschap. Gezien dit intensieve gebruik is het niet aannemelijk dat de bestaande bebouwing dient als vaste rust- en verblijfplaats voor beschermde soorten.
  
Conclusie
In het kader van flora- en fauna zijn er geen belemmeringen. Wel gelden de voorwaarden met betrekking tot het broedseizoen van vogels en de zorgplicht.
Er is geen onderzoek nodig om de gevolgen van de ingreep voor de strikt beschermde soorten uit de Flora- en faunawet te kunnen bepalen, en een ontheffing in het kader van de flora- en faunawet is niet noodzakelijk.