Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Zwarteweg 6 te Oud Ade
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1884.BPKBZWARTEWEG62011-VAS1

4.8 Water

4.8.1 Algemeen beleid
Het algemene waterbeleid dat op het plangebied van toepassing is, staat beschreven in de waterwet en het nationaal waterplan van de rijksoverheid
(zie hoofdstuk 3). Daarnaast zullen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) de komende jaren richtinggevend worden voor het regionale waterbeheer in Nederland.
 
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
In het NBW hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is medesturend voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in dat de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen.
 
Kaderrichtlijn Water (KRW)
De KRW is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen die afhankelijk zijn van onder meer het type water. De KRW wordt op dit moment ingepast in de Nederlandse regelgeving. Milieudoelstellingen en maatregelen zullen waarschijnlijk eind 2009 vast worden gelegd. Deze doelstellingen en maatregelen zullen moeten worden meegenomen in de watertoets en werken zodoende door in de waterparagraaf. Tot die tijd moet voorkomen worden dat overheden besluiten nemen die een achteruitgang van de waterkwaliteit tot gevolg hebben.
4.8.2 Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland
Het beleid van Hoogheemraadschap Rijnland dat voor onderhavig plan relevant is bestaat uit:
  • het waterbeheerplan Rijnland;
  • de Keur en Beleidsregels.
Waterbeheerplan Rijnland
Voor de planperiode 2010-2015 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn:
  • veiligheid tegen overstromingen;
  • voldoende water;
  • gezond water. 
Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en hevigere buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Het Waterbeheerplan 2010-2015 van Rijnland is te vinden op de website: www.rijnland.net.
 
Keur en Beleidsregels
Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. Verder zijn aan deze Keur bepalingen toegevoegd over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem.
De 'Keur en Beleidregels' maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
  • Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
  • Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of nabij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in de Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De Keur en Beleidsregels van Rijnland zijn te vinden op de website: www.rijnland.net.
 
Riolering en afkoppelen
Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:
  1. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen op beperkt;
  2. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen op beperkt;
  3. afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;
  4. huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd;
  5. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d:
    1. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt;
    2. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht.
 
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgordebij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan. Deze volgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.
 
Zorgplicht en preventieve maatregelen voor Hemelwater
Voor de verwerking van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe'-maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het onvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:
  • duurzaam bouwen;
  • het toepassen van berm- en bodempassage;
  • toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;
  • het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
  • adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken / putten zuigen);
  • het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
  • de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;
  • het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe' aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.
 
Beleidsregel 2 Beschermingszone - oppervlaktewateren
Gelet op de ligging van onderhavig plangebied nabij een watergang dient rekening te worden gehouden met de beschermingszone. Beleidsregel 2 stelt regels ten aanzien van het bebouwen en beplanten in of nabij de beschermingszone. De beleidsregel geldt zowel voor primaire watergangen als overige watergangen.
Op grond van de Keur (artikel 3.1.1-1b en 3.1.1-1c) is het zonder vergunning van het bestuur namelijk niet toegestaan in, op of onder en/of boven waterstaatswerken en hun beschermingszone:
  • werken of opgaande (hout) beplanting aan te brengen of te hebben, dan wel aanwezige (hout)beplanting te verwijderen;
  • vaste stoffen, voorwerpen te brengen, te hebben of te houden op andere dan daarvoor kennelijk bestemde plaatsen.
In de legger van de Keur is van alle oppervlaktewateren de beschermingszone gedefinieerd. In onderhavig geval is er sprake van een boezemwater. Hiervoor is een beschermingszone van 2 meter aan beide zijde van het water opgenomen. Om het onderhoud en de inspectie vanaf de kant te kunnen uitvoeren, moet de beschermingszone vrij zijn van bebouwing en beplanting. Afwijken van de regels is toegestaan indien: 
  • het betreffende oppervlaktewater varend kan worden onderhouden;
  • de wijziging van de wijze van onderhoud geen negatieve gevolgen heeft voor de (ecologische) waterkwaliteit (conform algemene zorgplicht, Flora- en faunawet);
  • de onderhoudsverplichtingen van de overige onderhoudsplichtigen niet worden verzwaard.
4.8.3 Watertoets
In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de ‘watertoets’: de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem.
Ruimtelijke plannen dienen een waterparagraaf te bevatten. Initiatiefnemers van ruimtelijke plannen moeten in een vroegtijdig stadium van het planvormingsproces de waterbeheerder(s) betrekken. De initiatiefnemer vraagt de waterbeheerder(s) om een wateradvies in de vorm van een watertoets. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van het overleg opgenomen. Op basis van de watertoets zal de waterbeheerder Keurontheffing en, indien nodig, een Wvo-vergunning (Wet verontreiniging oppervlaktewater) verlenen.
   
Huidige situatie
Het projectgebied is gelegen aan de Zwarteweg 6 te Oud Ade. De oppervlakte van het perceel is circa 1.495 m². In de huidige situatie is het bebouwingsoppervlak circa 460 m². In de nieuwe situatie zal het bebouwd oppervlak marginaal afnemen. Daar de bouwplannen voor de nieuwe situatie nog niet bekend zijn is gerekend met een gemiddelde grootte van woningen (van 600 m3) en bijgebouwen. Hierbij is rekening gehouden met de mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen, zoals deze ten tijde van schrijven onder de Wabo mogelijk zijn.
 
 ObjectOppervlakte  Totaal
 Woning180 m2  
 Kas 30 m2 
 Schuur 250 m2 
   460 m2
Huidige situatie  
 
 Object Oppervlakte Totaal
 Gemiddelde woning 160 m2 
 Gemiddelde woning 160 m2 
 Gemiddeld bijgebouw 65 m2 
 Gemiddeld bijgebouw 65 m2 
   450 m2
Nieuwe situatie
 
Waterafvoer
De nieuwe woningen zullen worden aangesloten op het huidige systeem van afkoppeling hemelwater. Het vuil water uit de woningen zal worden afgevoerd via het bestaande rioolstelsel.
 
Beschermingszone watergang
In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Legger behorende bij de Keur van Rijnland weergegeven. De gele strook rondom de het wateroppervlak geeft de te hanteren beschermingszone weer.
 
Uitsnede legger Keur Hoogheemraadschap van Rijnland
 
De woningen en de bijgebouwen worden bij voorkeur buiten de beschermingszone van het naastgelegen boezemwater gesitueerd. Afwijken van de regels van de keur is dan niet aan de orde. Ontheffing in het kader van de Keur is in dat geval niet noodzakelijk.
 
Compensatie
De regels en voorwaarden van het beleid voor watercompensatie zijn afgeleid uit de Keur (artikel 14 lid 1, 2 en 3). Een eventuele toename aan verharding dient volgens de regels van het hoogheemraadschap in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorg er voor dat het regenwater sneller op het oppervlakte water zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. Het hoogheemraadschap hanteert bij een toename aan verharding van meer dan 500 m², de 15% regeling. 
 
De totale verharding in het plangebied zal als gevolg van het plan afnemen. Compensatie is niet noodzakelijk.
 
Overleg hoogheemraadschap 
In het kader van de watertoetsprocedure is er bij het Hoogheemraadschap van Rijnland wateradvies ingewonnen. Het Hoogheemraadschap heeft op een positief wateradvies afgegeven. De initiatiefnemer moet op de uitgangspunten in de Nationale Pakketten Duurzame Stedebouw en Duurzaam Bouwen gewezen worden. Volgens deze uitgangspunten dient toepassing van uitloogbare bouwmetalen- zoals koper, zink en lood- voor dakbedekking, gevelbekleding, regenwaterafvoer, drinkwaterleidingen of straatmeubilair te worden voorkomen, zodat minder verontreinigende stoffen in het watersysteem terechtkomen. De opmerkingen van het Hoogheemraadschap worden meegenomen in de verdere uitwerking van het plan.
 
Conclusie
Door de kleine schaal van het project, de ligging binnen bestaand bebouwd gebied en de afname in bebouwd oppervlak zijn geen watercompenserende maatregelen vereist. Er vindt geen ontwikkeling plaats binnen de beschermingszone van het nabij gelegen water. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de keur is niet noodzakelijk. Het aspect water vormt geen belemmering voor het onderhavige project.