direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Molenpad 5, Rijnsaterwoude
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Molenpad 5 stond tot voor kort een bouwval van een vrijstaande woning. Deze woning is inmiddels gesloopt om een herontwikkeling mogelijk te maken. Aanvankelijk had de eigenaar van de gronden, Vink + Veenman B.V. te Nieuwkoop, het voornemen hier 2 twee-onder-een-kapwoningen te realiseren. Na het doorlopen van een zogenaamde artikel 19, lid 2 WRO (oud) procedure is hiervoor op 22 januari 2009 bouwvergunning verleend. Deze planontwikkeling heeft geen doorgang gevonden in verband met de economische crisis. Thans is een nieuw plan gemaakt dat voorziet in twee geschakelde woningen en één vrijstaande woning.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Kernen Leimuiden - Rijnsaterwoude”, waarin het perceel is bestemd voor “Wonen" en "Tuin". De gevraagde woningbouwontwikkeling valt grotendeels buiten het op de verbeelding aangeduide bouwvlak. Dit bestemmingsplan maakt de voorgenomen woningbouwontwikkeling juridisch planologisch mogelijk.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in het zuidelijke gedeelte van de kern Rijnsaterwoude aan het Molenpad. Zuidelijk van het Molenpad staan woningen met hierachter de Leidse Vaart met een verbinding naar het Braassemermeer. Ten noorden van het plangebied staan grondgebonden woningen aan de Kruizemuntlaan. Aan de oostzijde staat een vrijstaande woning. Ten westen van het plangebied staat een rij met grondgebonden woningen. In figuur 1 is het plangebied en omgeving aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0001.png"

Figuur 1: Situering plangebied en omgeving.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het volgende bestemmingsplan:

Bestemmingsplan   Raadsbesluit   ABRvS  
“Kernen Leimuiden - Rijnsaterwoude"   17 juni 2013   -  

In het bestemmingsplan is het plangebied bestemd voor "Tuin" en in beperktere mate voor “Wonen”. In het op de verbeelding opgenomen bouwvlak is een vrijstaande of twee-onder-een-kapwoning toegestaan met een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 8 meter. Het plangebied ligt voorts in de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 1' en 'Waterstaat – Waterkering'. De woningen liggen grotendeels buiten het bouwvlak. Dit betekent dat de planontwikkeling niet in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan. Evenmin zijn hiervoor afwijkingsregels en/of een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0002.png"

Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden - Rijnsaterwoude' (plangebied is met een rode lijn aangeduid).

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving van de nieuwe toestand. In hoofdstuk 4 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de waterparagraaf. Hoofdstuk 6 omvat de milieuaspecten. Ook uitvoeringsaspecten worden hier beschreven. In hoofdstuk 7 wordt de keuze voor de planmethodiek nader toegelicht. Hoofdstuk 8 is gewijd aan de economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 9 wordt tenslotte ingegaan op de uitkomsten van de gehouden inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0003.png"

Luchtfoto plangebied en omgeving (bron: Bing Maps).

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Het dorp Rijnsaterwoude is een oud lintdorp dat is ontstaan langs de Herenweg. Van oudsher kent het dorp twee verdichtingen van bebouwing in het lint. Eén ter hoogte van de Schoolstraat/ Overbuurt; de andere ligt iets zuidelijker bij de kruising met de Leidse Vaart. In de jaren zestig is bij beide verdichtingen een nieuwbouwwijkje in de polder toegevoegd. In het dorp staan verschillende monumentale boerderijen, molens en woonhuizen. Het plangebied ligt in het zuidelijke cluster ten westen van de Herenstraat en ten noorden van de Leidsevaart. De bebouwing in dit cluster bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen met een kap, alsmede twee-onder-een-kapwoningen en rijtjeswoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0004.png" De Herenstraat. De Leidsevaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0005.png"

Het Molenpad. Het Plangebied, gezien vanaf het Molenpad.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Nieuwe situatie

Op deze herontwikkelingslocatie worden twee geschakelde woningen en een vrijstaande woning, dan wel drie vrijstaande woningen, mogelijk gemaakt. Er is hier sprake van dijkwoningen met de daarbij behorende karakteristiek. De nieuwe bebouwing sluit aan op de omgeving in schaal en structuur. Dit komt tot uiting door het opnemen van een maximum goot- en bouwhoogte op te nemen van respectievelijk 6 en 11 m. De woningen worden gebouwd in de dure koopsector. Een verkavelingstekening is opgenomen in figuur 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0006.png"

Figuur 3: Verkavelingstekening (voorlopig).

3.2 Verkeer en parkeren

Verkeer
De twee-onder-een-kapwoning wordt via een gemeenschappelijke brug over de watergang vanaf de Leidsevaartlaan ontsloten. De vrijstaande woning krijgt een eigen ontsluiting op het Molenpad. Via de Herenstraat is de Provinciale weg N207 (Alphen aan den Rijn - Leimuiden) bereikbaar.

Parkeren
Voor de gevraagde woningbouw wordt de gemiddelde parkeernorm aangehouden uit de CROW publicatie 317. De parkeernormen zijn in tabel 3.1 opgenomen.

Tabel 3.1 Parkeernormen (weinig stedelijk)

Functies   Norm rest bebouwde kom/
weinig stedelijk (gemiddeld)  
Aandeel bezoekers  
Woning koop, vrijstaand   2,3 per woning   waarvan 0,3 per woning  
Woning koop, twee-onder-een-kap   2,2 per woning   waarvan 0,3 per woning  

Op basis van deze normering ontstaat de volgende parkeerbalans (tabel 3.2).

Tabel 3.2 Parkeerbalans nieuwe situatie

Functies   typologie   Parkeernorm   Aantal   Totaal  
woningen   vrijstaand   2,3   1   2,3  
woningen   2-onder-1-kap   2,2   2   4,4  
Totaal       3   6,7 pp  

De parkeerbehoefte wordt gerealiseerd door per woning minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein aan te leggen. Voor berzoekersparkeren kan gebruik worden gemaakt van de bestaande openbare parkeerplaatsen in de directe omgeving van het plangebied. Hiermee kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte. Bij uitwerking van de bouwplannen dient te worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de parkeernorm. In de Algemene gebruiksregels van het bestemmingsplan wordt dit geborgd.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Op 22 november 2011 heeft de Tweede Kamer de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) met bijbehorende stukken aangenomen. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft op 13 maart 2012 het vaststellingsbesluit zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de SVIR ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden.
De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteit- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid vervangt de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte en de structuurvisie Randstad 2040. De structuurvisie heeft betrekking op:

  • rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • rijksbelangen met betrekking tot (inter)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;
  • rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports (Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent voor alle ruimtelijke plannen:

  • 1. eerst kijken of er een regionale vraag is naar een bepaalde ontwikkeling;
  • 2. vervolgens kijken of het bestaand stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt;
  • 3. mocht nieuwbouw nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en bereikbaarheid.

Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Deze ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. In paragraaf 4.2.2 wordt hierop nader ingegaan.

Conclusie
Er zijn met deze planontwikkeling geen rijksbelangen gemoeid.

4.1.2 AMvB Ruimte (2011)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang (13 nationale belangen) uit de nieuwe Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met voorschriften voor de andere beleidskaders uit de SVIR, het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Het gaat hierbij om onder andere de hier relevant zijnde onderwerpen:

  • rijksvaarwegen;
  • hoofdwegen en hoofdspoorwegen;
  • ecologische hoofdstructuur (EHS).

Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Conclusie
In het Barro is een aantal algemene regels opgenomen, welke doorwerking hebben op provinciaal en gemeentelijk beleid. Met deze planontwikkeling zijn geen rijksbelangen gemoeid als genoemd in het Barro.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Visie ruimte en mobiliteit (2014)

Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 9 juli 2014 de Visie ruimte en mobiliteit (VRM) en de bijbehorende uitvoeringsdocumenten vastgesteld. De actualisering 2016 van de VRM, het Programma ruimte, de Verordening ruimte en de Cultuurhistorische Hoofdstructuur is op 14 december 2016 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze actualisering heeft betrekking op een reeks van onderwerpen, waaronder de actualisering van de regionale visies voor wonen en kantoren. Dit beleidskader geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Uitgangspunt vormt steeds de maatschappelijke vraag. Ook rekent de provincie op de daadkracht van maatschappelijke partners, met wie zij intensievere samenwerking zoekt.

Hoofddoel van de Visie ruimte en mobiliteit (VRM) is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. De Agenda ruimte bevat een concretere uitwerking van de VRM. In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden.

  • 1. Beter benutten en opwaarderen

De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Steden bieden nog volop kansen om te bouwen en te verbouwen. Ze kunnen de hoofdmoot voor hun rekening nemen van de woningen die Zuid-Holland tot 2030 extra nodig heeft. Daardoor kan het landelijk gebied open blijven. Door de schaalvoordelen blijft het mogelijk om goed openbaar vervoer tussen knooppunten te laten rijden. Gemeenten stellen regionale visies voor woningen en kantoren op. Door deze visies stemmen de gemeenten het aanbod met elkaar af op de reële behoefte naar woningen en kantoren. Op deze wijze wil de provincie het overschot aan kantoren terugdringen en het tekort aan woningen voor bepaalde segmenten kleiner maken.

  • 2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)

Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer. Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.

  • 3. Versterken ruimtelijke kwaliteit

Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads– en dorpsgebied te realiseren. De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.

  • 4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving

In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij. Blikvanger is het warmtenet. Restwarmte uit de Rotterdamse mainport kan in de toekomst via een ondergronds leidingstelsel worden getransporteerd naar de greenport Westland-Oostland, waar er kassen mee worden verwarmd, en naar steden om te voorzien in de warmtebehoefte van bewoners en bedrijven.

Beter benutten en opwaarderen bebouwde ruimte
De provincie wil de bebouwde ruimte beter benutten. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de systemen stedelijke agglomeratie, dorpen en linten en logistiek-industrieel systeem, inclusief de bijbehorende infrastructuur. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Verder blijven ook buiten de bebouwde ruimte nieuwe woon- en werklocaties mogelijk en wenselijk.

De regionale programmering van het planaanbod van woningen, bedrijventerreinen, kantoren en winkelcentra sluit niet overal aan op de veranderde vraag. De provincie zet zich ervoor in om die match te verbeteren. Zo kan een gezonde markt ontstaan en kunnen tegelijk de mogelijkheden van de bebouwde ruimte optimaal worden benut.

Wonen
De belangrijkste opgave in het provinciale woningbouwbeleid is om voldoende geschikte huisvesting mogelijk te maken voor de veranderende bevolking. Die bevolking verandert door processen van vergrijzing, diversiteit en individualisering. Dat werkt door in de vraag naar woonmilieus. Ook de wijze waarop woningen en de woonomgeving ontwikkeld worden, verandert. Vraaggerichte, organische ontwikkeling komt steeds meer naast grootschalige, planmatige ontwikkeling. De rol van projectontwikkelaars en beleggers verandert. Dat geldt ook voor de rol van overheden en de wijze van beleid maken.
Er is een toenemende behoefte aan woningen in centrumstedelijke en buitencentrummilieus. Bouwen in het BSD voldoet (bij uitstek) aan deze behoefte. Daarnaast blijft vraag bestaan naar groenstedelijke, dorpse en landelijke milieus. Toevoegingen binnen bestaande stadswijken, dorpen en kleine kernen kunnen hier tot op zekere hoogte in voorzien. Ter aanvulling blijft enige uitbreiding nodig voor deze milieus en andere woningbouw die niet binnen het BSD inpasbaar blijkt te zijn met behoud van leefkwaliteit.
Gemeenten kunnen onderlinge concurrentie voorkomen door het maken van afspraken over nieuwe woningbouwplannen en zo de haalbaarheid van de meest kansrijke plannen vergroten. De provincie bevordert dit proces door samenwerkende gemeenten ruimte voor keuzes te geven, maar ook waar nodig grenzen te stellen. In paragraaf 4.3.2 wordt hierop dieper ingegaan.

Kwaliteitskaart
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming.
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen'. Voorts heeft de locatie de aanduiding 'stads- en dorpsrand'. Op de kaart 'Laag van de stedelijke occupatie' van de Structuurvisie heeft het plangebied dezelfde aanduiding gekregen. In figuur 4 is van beide kaarten een uitsnede opgenomen. De planontwikkeling maakt onderdeel van de lokale woningbehoefte en wordt als zodanig opgenomen in de Regionale Woonvisie van Holland Rijnland.

Conclusie
De herontwikkeling van het perceel tot het oprichten van 3 woningen is in overeenstemming met thema 1 (beter benutten en opwaarderen), omdat woningbouw binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0007.png"

Figuur 4: Links uitsnede Kwaliteitskaart en rechts uitsnede kaart 'Laag van de stedelijke occupatie'. Het plangebied is met een gele stip aangeduid.

4.2.2 Verordening Ruimte

Ladder voor duurzame verstedelijking
De in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de Verordening Ruimte van 9 juli 2014 en de partiële wijziging van 14 december 2016 (artikel 2.1.1 van de Verordening). Op grond van dit artikel dient een bestemmingsplan waarin een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt te voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    • 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    • 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en
    • 3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

In de begripsbepaling wordt onder bestaand stads- en dorpsgebied verstaan:
bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In lid 2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bij de aanvaarding van een regionale visie kunnen aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid.

Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking
Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk van drie woningen in het bestaand stedelijk gebied, zoals dat hiervoor is omschreven in de begripsbepaling voor bestaand stads- en dorpsgebied. Het begrip 'woningbouwlocatie', zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Het bouwen van één woning is geen stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4). Twee woningen die rechtstreeks mogelijk worden gemaakt zijn niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro (ABRvS 18 december 2013, nr. 201302867/1/R4). Gesteld kan worden dat de gebruiksmogelijkheden te kleinschalig zijn om onder het regime van artikel 3.1.6 lid 2 Bro te vallen, waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen.
Deze planontwikkeling is opgenomen in de door de provincie aanvaarde Regionale Woonvisie (zie paragraaf 4.3.2), welke als verantwoording van een actuele regionaal afgestemde behoefte in meerdere plannen tegelijk voorziet. Door aanvaarding van de regionale woonvisie is trede 1 van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking, het voorzien in een actuele behoefte, doorlopen, zodat een verdere bespreking niet nodig is. Voorts is het plangebied volledig in de BSD opgenomen.

Ruimtelijke kwaliteit
Op grond van artikel 2.2.1, lid 1 van de Verordening ruimte (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    • 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
  • c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Toelichting Verordening Ruimte
Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen 1) moeten passen bij de aard en schaal van het gebied en 2) moet voldoen aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart. Als een ontwikkeling niet past bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen'. Als richtpunten wordt onder andere het volgende aangehouden:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.
  • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden).
  • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd.

Voor ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand geldt als richtlijn dat deze bijdragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). De nieuwbouw van drie woningen versterkt het lint aan het Molenpad. Deze planontwikkeling past qua aard en schaal bij wat er al in de directe omgeving aan het Molenpad. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan.

Conclusie
Vooropgesteld wordt dat een planontwikkeling voor het oprichten van vier woningen eerder mogelijk is gemaakt door afgifte van een bouwvergunning (2009), waarmee de provincie heeft ingestemd.
Het plangebied ligt binnen de BSD. De planontwikkeling valt onder de noemer inpassing. Over deze ontwikkeling heeft regionale afstemming plaatsgevonden met het Holland Rijnland. De planontwikkeling is opgenomen in de Regionale Woonvisie (zie paragraaf 4.3.2). Voldaan wordt aan de eerste ladder voor duurzame verstedelijking. Er is geen strijd met de provinciale belangen.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Regionale structuurvisie 2020 Holland Rijnland

De gemeenten in de Rijnstreek, waaronder gemeente Kaag en Braassem, zijn vanaf 2011 aangesloten bij het Samenwerkingsverband Holland Rijnland. In verband hiermede is de eerste partiële herziening van de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld door het Algemeen Bestuur Holland Rijnland, waarin de Regionaal Strategische Agenda van het voormalige Rijnstreekberaad, de Transformatievisie Oude Rijnzone en de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Boskoop/ Rijnwoude vanuit de Rijnstreek zijn ingebracht. Deze visie is het gemeenschappelijke toetsingskader van alle Holland Rijnland-gemeenten, waartoe nu ook Kaag en Braassem behoort. Op basis hiervan worden de ruimtelijke ontwikkelingen in Holland Rijnland tot 2020 getoetst. De regionale structuurvisie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn:

  • Holland Rijnland is een top woonregio;
  • Leiden vervult een regionale centrumfunctie;
  • concentratie van stedelijke ontwikkeling;
  • groen-blauwe kwaliteit staat centraal;
  • de Bollenstreek, Veenweide en de Plassen blijven open;
  • twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en greenport;
  • verbetering van de regionale bereikbaarheid. 

De woningbouwontwikkeling aan het Molenpad in Rijnsaterwoude levert een bijdrage aan uitwerking van de eerstgenoemde kernbeslissing om in de regio tot 2020 netto 33.000 woningen te bouwen. Op de visiekaart maakt het plangebied onderdeel uit van het 'Stedelijk gebied' (figuur 5).

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0008.png"

Figuur 5: Uitsnede Regionale Structuurvisie.

Conclusie
De regionale Structuurvisie bevat hoofdlijnen van voorgenomen ontwikkelingen en hoofdzaken van het door de regio te voeren ruimtelijk beleid. Bij kleinere ontwikkelingen heeft het regionale beleid een te hoog abstractieniveau voor een concrete toetsing. De woningbouwontwikkeling levert een bijdrage aan het woningbouwprogramma tot 2020 in de regio Holland Rijnland. Tevens wordt ingespeeld op de gewenste dure woonmilieu. Dit bestemmingsplan is niet strijdig met de regionale belangen.

4.3.2 Regionale Woonvisie

In het kader van de woningbouwprogrammering heeft Holland Rijnland een Regionale Woonvisie opgesteld. In deze visie zijn de woningbouwbehoeften en de woningbouwlocaties met de aantallen woningen in regionaal verband beschouwd. Het doel van de Regionale Woonvisie is tweeledig enerzijds willen partijen inzicht hebben in de behoefte naar woningen in Holland Rijnland om hun (gezamenlijke) woningbouwprogramma daar op af te stemmen. Anderzijds heeft de provincie verzocht op regionaal niveau inzicht te geven in de woningbouwbehoefte en het -programma. De woningbouwontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is onderdeel van dit woningbouwprogramma (diverse projecten <6 woningen in categorie 1). De Regionale Woonvisie is door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bij brief van 3 november 2015 aanvaard.

Conclusie
De nieuwbouw levert een bijdrage aan de vraag naar koopwoningen voor de doelgroep doorstromers. De woningbouwontwikkeling aan het Molenpad in Rijnsaterwoude is een van de projecten die is opgenomen in de Regionale Woonvisie, wat inhoudt dat er in regionaal verband behoefte mag worden verwacht voor deze woningen in de woonkern Rijnsaterwoude en dat hierover in voldoende mate met de regio afstemming heeft plaatsgevonden. Zie verder ook paragraaf 4.4.4 Woningbouwprogrammering.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025

De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 12 december 2011 de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. De MRSV is de gemeentelijke visie op de maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkeling in het jaar 2025. De MRSV integreert het beleid vanuit verschillende beleidssectoren tot een logisch en samenhangend geheel. De MRSV biedt een beleidslijn op hoofdlijnen vanuit de gedachte dat de gemeente zich niet (meer) tot in detail met alles gaat bemoeien. Voor zaken en activiteiten waar de gemeente de komende jaren nog wel een duidelijke verantwoordelijkheid heeft of wil hebben, moet aanvullend beleid worden ontwikkeld. Voor dit aanvullende beleid geldt de MRSV als basis. De MRSV is in lijn gebracht met de beleidsdoelen van het Rijk en de provincie. Zo zijn de 'gebiedsprofielen' van de provincie gebruikt als basis voor de ruimtelijke structuur. Op regionale schaal zijn de beleidsdoelen van Holland Rijnland in deze MRSV geïntegreerd. De gemeente maakt in de MSRV vijf strategische keuzes:

  • 1. Geen nieuwe woningbouwplannen; wel afronding huidige projecten en versterken bestaande woonmilieus.
  • 2. Delen verantwoordelijkheid; de gemeente neemt niet meer zelf initiatief, maar faciliteert.
  • 3. Verschil tussen groei- en groenkernen; het behoud van voorzieningen is ondergeschikt aan de kwaliteit van (samen)leven. Bundelen van voorzieningen en woningaanbod enkel in de groeikernen. Dit versterkt de levensvatbaarheid van die voorzieningen.
  • 4. Ruimtelijke kwaliteit staat voorop; economische ontwikkelingen worden gestimuleerd langs de hoofdverkeersaders en langs de intensievere recreatieve routes. Daarmee worden de waardevolle landschappen beschermd.
  • 5. Ontwikkeling door beheer; de focus komt steeds meer te liggen op de ontwikkeling van kleinschalige herstructureringen binnen de bestaande woonomgeving. 

Het plangebied ligt in de kern Rijnsaterwoude. Deze kern is aangewezen als groenkern. Het verdichten van het bestaand stedelijk gebied met nieuwe woningen is in lijn met de MRSV wanneer sprake is van het kwalitatief uitbreiden van het woningaanbod binnen het bestaand stedelijk gebied. Voorliggend initiatief is aan te merken als kleinschalig herstructureringsgebied waar al twee woningen planologisch mogelijk zijn gemaakt in het geldende bestemmingsplan, hetgeen in lijn is met de strategische keuzes. De beoogde ruimtelijke kwaliteit is daarmee in voldoende mate aangetoond. De ontwikkeling is passend binnen de kaders van de MRSV.

Conclusie
Een woningbouwontwikkeling aan het Molenpad in Rijnsaterwoude is in overeenstemming met de uitgangspunten van de MRSV en behoefte naar nieuwbouwwoningen in de woonkern. De planontwikkeling speelt voorts in op de behoefte aan groenstedelijke woonmilieus voor de doelgroep doorstromers. Daarnaast zorgt de woningbouw voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het lint en levert een bijdrage aan het behoud van draagvlak voor voorzieningen.

4.4.2 Nota Inbreidingslocaties

De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 7 februari 2011 de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld. De 'Nota Inbreidingslocaties' heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de (voormalige) rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/ functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. De nota geeft geen kant-en-klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen.
Een uitzondering is gemaakt voor inbreidingen waarbij het gaat om het toevoegen van één of twee woningen. Deze afweging hoeft namelijk niet in alle gevallen heel erg ingewikkeld te zijn. Daarom zijn op basis van de kernbeschrijvingen harde ruimtelijke criteria opgesteld waarbinnen inbreiden zonder problemen mogelijk moet zijn. Op basis van deze criteria kan een groot aantal verzoeken ruimtelijk snel worden beoordeeld terwijl grotere en complexere initiatieven de aandacht krijgen die noodzakelijk is om tot een goed resultaat te komen.

Kernbeschrijving Rijnsaterwoude
Rijnsaterwoude heeft circa 1700 inwoners en is daarmee een kleine kern binnen de gemeente Kaag en Braassem. Het dorp wordt gekarakteriseerd door de lintbebouwing aan de Herenweg. Van oudsher waren er bebouwingsconcentraties ter hoogte van de Schoolstraat/ Overbuurt en bij de kruising met de Leidse Vaart. Ten westen van de Herenweg zijn in de polder twee nieuwbouwbuurten gerealiseerd. De ene buurt sluit aan bij het cluster van de Schoolstraat/ Overbuurt en de andere bij de Leidse Vaart. Zodoende bestaat het dorp nog steeds uit twee bebouwingsconcentraties. Op basis van de huidige bebouwingscontour kan de ruimte tussen beide kernen op termijn worden opgevuld met woningbouw.
De bebouwingsconcentratie ter hoogte van de Leidse Vaart heeft zich langs de Leidse Vaart ontwikkeld, haaks op de Herenweg. De bebouwing is hier minder compact dan nabij de Kerkweg, maar er is wel een duidelijke intensivering van het lint zichtbaar, waarbij de kruising van de Leidse Vaart met de Herenweg gezien kan worden als zwaartepunt. Naar het westen en het oosten wordt de opzet van de lintbebouwing langs het Molenpad en de Woudsedijk-Zuid al snel ruimer en krijgt daardoor een groenere uitstraling. De bebouwing bestaat in dit cluster voornamelijk uit vrijstaande woningen met een kap. Belangrijk uitgangpunt bij dit deel van het lint aan de zijde van de Leidse Vaart ook representatief is. Achterkantsituaties zijn niet wenselijk.
De beschrijving dient als handvat voor het beoordelen van inbreidingsverzoeken die leiden tot een kwaliteitsverbetering. Het plangebied ligt in een woonwijk ten noorden van het lint langs de Leidse Vaart (figuur 6). Het geldende bestemmingsplan laat al twee woningen toe. Deze herontwikkeling wordt passend geacht, omdat de huidige opzet van deze karakteristieke dorpsrand behouden blijft, waarbij er geen sprake is van verstorende nieuwbouw en overmatige verstening. De woningbouwontwikkeling wordt landschappelijk ingepast.

Conclusie
Deze herontwikkeling voorziet in het oprichten van twee geschakelde woningen en een vrijstaande woning buiten het op de plankaart aangeduide bouwvlak. De nieuwbouw voldoet aan de ruimtelijke criteria (hoofdopzet, massa, aanbouwen en bijgebouwen), waarbij de karakteristiek van de dorpsrand niet wordt aangetast, zodat de planontwikkeling in overeenstemming is met de Nota Inbreidingslocaties.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0009.png"

Figuur 6: Uitsnede Nota inbreidingslocaties.

4.4.3 Nota vereveningsfondsen

De gemeente Kaag en Braassem heeft beleidsambities ten aanzien van de bouw van nieuwe woningen. De gemeente wil blijven zorgen voor voldoende kavels voor sociale woningen in de kernen van de gemeente. In de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2011 (MRSV) is de norm aangegeven van minimaal 30% sociale woningbouw in nieuwbouwprojecten. Indien in een bepaald project niet aan deze norm wordt voldaan kunnen via verevening middelen worden gereserveerd om elders meer dan 30% sociale woningbouw te kunnen realiseren waardoor de ambitie toch kan worden gehaald. Voor deze situaties moeten bestemmingsreserves worden aangewezen. In de uitvoeringsparagraaf van de MRSV is reeds een Nota Kostenverhaal aangekondigd. Hierin gaat het concreet over de vereveningsfondsen voor sociale woningbouw en voor parkeren. Ruimtelijke bouwplannen moeten namelijk ook voldoen aan de parkeernorm uit bijvoorbeeld de richtlijnen van het CROW. Om meer flexibiliteit bij de toelating van bouwplannen te creëren ten aanzien van een verplicht aantal parkeerplaatsen zal ook een fonds voor parkeren worden ingesteld.

Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van 3 woningen mogelijk in de dure koopsector. De parkeernorm is vastgelegd in de Algemene gebruiksregels. Het maken van aanvullende afspraken over een financiële afdracht voor sociale woningbouw vindt plaats in de anterieure exploitatieovereenkomst. Voor parkeren zijn geen aanvullende afspraken nodig.

4.4.4 Woningbouwprogrammering

Als onderdeel van de Woonvisie wordt door de gemeente Kaag en Braassem jaarlijks een woninglijst opgesteld, welke wordt afgestemd met de omliggende gemeenten. Deze woningbouwontwikkeling is opgenomen op de woninglijst met een capaciteit van 20 woningen, waarbij vooralsnog wordt uitgegaan van realisatie in 2016 en 2017. De planvorming zet in op 3 woningen. De woninglijst zal hierop worden aangepast. Voorts geeft het segment waarin de woningen worden gerealiseerd (dure koop) geen aanleiding te veronderstellen dat er onvoldoende behoefte bestaat. Daarmee voorziet de ontwikkeling in een regionaal afgestemde actuele behoefte.
Conclusie
Met dit plan wordt conform de marktopname capaciteit een woningbouwprogramma voorgestaan van 3 woningen in de dure sector. Onderdeel van de Regionale Woonvisie is de regionale woninglijst. Deze woningbouwontwikkeling is op de regionaal afgestemde woninglijst opgenomen in categorie 1 en maakt onderdeel uit van 'diverse projecten < 6 woningen'.

4.4.5 Welstandsnota

Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan aanvragen voor een omgevingsvergunning op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken.  In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart.

Conclusie
Het plangebied ligt in een welstandsluw gebied, zodat er geen welstandstoets geldt.

4.4.6 Duurzaamheid

De gemeente Kaag en Braassem vindt het duurzaam ontwikkelen van het stedelijke gebied belangrijk. Daarom streeft de gemeente Kaag en Braassem ernaar bij elke ruimtelijke ontwikkeling de schade aan het milieu en de menselijke gezondheid op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de stedelijke ontwikkeling op een zo hoog mogelijk niveau brengen. De gemeente hanteert als uitgangspunt bij bouwprojecten de Regionale DuBoPlus Richtlijn 2008 als maatlat voor duurzaam bouwen. De nagestreefde kwaliteit en duurzaamheid van het project dienen op basis van een overeenkomst tussen de gemeente en de ontwikkelaar geborgd te worden. Voor kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige bouwproject, informeert de gemeente initiatiefnemers over duurzaam bouwen via het Infoblad 'Milieuvriendelijk bouwen en verbouwen voor particulieren'.

Conclusie
De uitvoering van de woningbouw zal plaatsvinden overeenkomstig de eisen die zijn gesteld in het Bouwbesluit. Bij uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen.

4.5 Conclusie

Het planinitiatief voldoet aan het geschetste rijksbeleid. Sprake is van een duurzame verstedelijking, waarbij rekening is gehouden met de opeenvolgende stappen van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Dit sluit aan bij het principe bundeling van verstedelijking. Er is geen strijdigheid met de rijksbelangen.

Overeenkomstig het bepaalde in de Ladder voor duurzame verstedelijking vindt woningbouw in het Bestaand Stads- en Dorpsgebied (BSD) plaats. Over deze planontwikkeling heeft regionale afstemming plaatsgevonden. De planontwikkeling met 3 woningen is opgenomen in de Regionale Woonagenda. Voldaan wordt aan de provinciale belangen met betrekking tot locatiekeuze, regionale afstemming en ladder voor duurzame verstedelijking.

De planontwikkeling op onderhavige locatie past eveneens binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid, zoals dat is vastgelegd in de hiervoor genoemde beleidsdocumenten. De woningbouw voor deze locatie voorziet in een lokale behoefte. Tegelijkertijd wordt de leefbaarheid van de kern voor de lange termijn behouden.

Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling in overeenstemming is met rijks-, provinciaal, regionaal en lokaal vastgesteld beleid.

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in onder meer de toelichting bij een bestemmingsplan. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

5.2 Beleid hoogheemraadschap van Rijnland

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.

Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water.
Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.

In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016 – 2021. Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2015), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld (zie http://www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.

Keur en beleidsregels
Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen),
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden,

maar ook aan:

  • onttrekken en lozen van grondwater,
  • het aanbrengen van verhard oppervlak.

Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net.

Hemelwater
Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.

Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

5.3 Waterhuishouding

Waterkwantiteit
Het plangebied wordt momenteel niet gebruikt. Op het perceel staat een bouwval van een voormalige woning. Het overige deel is onverhard. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap dient 15% water te worden gecompenseerd wanneer meer dan 500 m², maar minder dan 10.000 m² verhard oppervlak wordt aangelegd. Het realiseren van watercompensatie is hier niet nodig, omdat minder dan 500 m² verhard oppervlak wordt aangelegd ten opzichte van de bestaande situatie.

Waterkering
Het plangebied ligt in de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering', zodat op grond van de regels van het bestemmingsplan toestemming nodig is van het hoogheemraadschap. In het kader van een eerdere aanvraag voor het oprichten van 4 woningen is reeds overleg geweest met het Hoogheemraadschap. Van de zijde van de waterbeheerder is toen op 31 oktober 2006 met kenmerk 06.26551 medegedeeld dat de watergang tussen de Kruizemuntlaan en het Molenpad een hoofdwatergang is, waarvoor een beschermingszone geldt van 5 meter. Voorts zijn richtlijnen meegegeven met betrekking tot het bouwen in een waterkering. Deze beschermingszone is overgenomen op de verbeelding van dit bestemmingsplan.
Waterkwaliteit (riolering en dubo)
Het hemelwater van de daken van de gebouwen zal worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op de bestaande riolering worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap.

Advies hoogheemraadschap
In het kader van het vooroverleg heeft het hoogheemraadschap gevraagd paragraaf 5.2 te actualiseren, omdat inmiddels het WBP 5 (2016-2021) van kracht is geworden. De tekst in 5.2 is hierop aangepast.

In paragraaf 5.3 wordt verwezen naar een brief d.d. 31 oktober 2006 welke grotendeels nog actueel is. Wel is de Keur en de legger waterkering gewijzigd. Het bouwwerk moet buiten het profiel van vrije ruimte van de waterkering blijven. Bij uitwerking van de bouwplannen wordt hiermee rekening gehouden.

Voor de te kruisen hoofdwatergang (ontsluitingsweg) dient met de regels uit de Keur rekening te worden gehouden. Bij uitwerking van de plannen worden de regels uit de Keur in acht genomen.   

Conclusie
Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Milieu en omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1 Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Luchthavenindelingsbesluit (LIB), Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid.

6.1.1 M.E.R.

Wettelijk kader
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit bestemmingsplan.
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.

Onderzoek/ beoordeling
In dit bestemmingsplan wordt het oprichten van 3 woningen mogelijk gemaakt. De planontwikkeling zit qua omvang dan ook ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. Bij deze beoordeling is tevens gebruik gemaakt van alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten'. Onderstaand zijn deze voor de m.e.r-beoordeling belangrijke aspecten op een rijtje gezet, waarmee invulling wordt gegeven aan een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt onderdeel uit van het te nemen besluit. Op die manier wordt officieel kenbaar gemaakt dat de vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft plaatsgevonden. In tabel 6.1 is de beoordeling opgenomen.

Tabel 6.1: m.e.r.-beoordeling

Projectnaam   Bestemmingsplan 3 woningen Molenpad 5, Rijnsaterwoude  
Kenmerken van het project    
Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)   D 11.2 stedelijk ontwikkelingsproject (drempelwaarde 2.000 woningen).
Initiatief: Een bouwval van een voormalige woning wordt gesloopt om plaats te maken voor 3 woningen  
Cumulatie met andere projecten   Nee  
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen   Grond, cement, hout, staal  
Productie van afvalstoffen   Nee  
Verontreiniging en hinder   Geluid, luchtkwaliteit zijn binnen wettelijke normen  
Risico voor ongevallen   Nee  
Plaats van project    
Bestaand grondgebruik   Woondoeleinden  
Relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied   Geen natuurlijke hulpbronnen in het gebied  
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, waaronder speciale beschermingszones (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn)   In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen speciale beschermingszones aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn, zodat uit dien hoofde geen beperkingen zijn  
Kenmerken van het potentiële effect    
Bereik van het effect   In samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijk effect op bevolking  
Grensoverschrijdende karakter van het effect   Nee  
Orde van grootte van en de complexiteit van het effect   Gering. Een bouwval van een woning wordt vervangen door 3 woningen  
Waarschijnlijkheid van het effect   N.v.t.  
Duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect   Gelet op kleinschaligheid verwaarloosbaar effect  
Effecten Natura2000 gebieden.   In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen speciale beschermingszones aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn, zodat uit dien hoofde geen beperkingen zijn. Zie voor flora- en fauna verder paragraaf 6.3  
Cultuurhistorische- en archeologische waarden   De cultuurhistorische waarden worden niet aangetast. Dit is beschreven in paragraaf 6.2  
CONCLUSIE   De realisatie van de beoogde planontwikkeling leidt niet tot relevante milieueffecten die in een m.e.r. nader onderzocht moeten worden. Een m.e.r. is niet noodzakelijk  

Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu.

6.1.2 Luchthavenindelingsbesluit (LIB)

Wettelijk kader
Op 1 november 2002 heeft het kabinet de nieuwe milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het Luchthavenindelingsbesluit (LIB, gewijzigd op 23 augustus 2004), waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven en het luchthavenverkeerbesluit (LVB), dat is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchtverkeer. De nieuwe regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik had genomen. Deze regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij bestemmingsplannen. In het Luchthavenindelingsbesluit zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied.

Onderzoek/ beoordeling
Beperkingengebied Schiphol
Het plangebied valt binnen het beperkingengebied (bijlage 2 van het LIB), maar buiten de beperking bebouwing als bedoeld in kaartbijlage 3 van het LIB (figuur 7), zodat er uit dien hoofde geen beperkingen zijn.

Geluidscontour Schiphol
Binnen de 20 Ke geluidscontour van Schiphol mag buiten bestaand bebouwd/ stedelijk gebied alleen nog worden bijgebouwd als het saldo van sloop en nieuwbouw niet positief is. Concreet betekent dit dat er geen nieuw stedelijk gebied (woningbouw) mag worden ontwikkeld, met uitzondering van woningen die kunnen worden gerealiseerd in het kader van de Ruimte voor ruimte regeling. Herstructurering en intensivering in bestaand bebouwd / stedelijk gebied zijn binnen de 20 Ke-contour wel mogelijk.
Het plangebied aan het Molenpad 5 maakt onderdeel uit van het zogenaamde ‘bestaand stads- en dorpsgebied 2014’ (BSD), zoals laatstelijk door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 9 december 2014 is vastgesteld. Dit betekent dat realisatie mogelijk is. Tegelijkertijd wordt wel opgemerkt dat toekomstige bewoners van onderhavige woningbouwontwikkeling rekening moeten houden met mogelijke geluidsoverlast in verband met de ligging binnen de 20Ke-geluidscontour van Schiphol.

Conclusie
Het Luchthavenindelingsbesluit staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg, omdat het plangebied in het bestaand stads- en dorpsgebied ligt en te typeren is als intensiveringsgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0010.png" Figuur 7: Kaartbijlage 3 beperking bebouwing zone 4 (bron: LIB). Plangebied met rode stip aangeduid.

6.1.3 Milieuzonering

Wettelijk kader
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009).
De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.2 vermeld.

Tabel 6.2: Richtafstanden en omgevingstype

Milieucategorie   Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  

Onderzoek/ beoordeling
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 3 woningen, waar thans 2 woningen mogelijk zijn op grond van het geldende bestemmingsplan. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom waar nagenoeg alleen woningen staan, zodat het gebied worden getypeerd als "rustig woongebied".
Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd of er in de omgeving van de geplande woningbouw milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. Een opgave is opgenomen in tabel 6.3.

Tabel 6.3 Overzicht bedrijven in omgeving

Bedrijf/
activiteit  
Adres   SBI-2008   Milieu-
categorie  
Minimale gewenste afstand   Huidige Afstand tot het plangebied  
AWZI Rijnsaterwoude   Kalmoeslaan 5   3700.A1   4.1   200 meter (geur)   Ongeveer 425 meter  
Akkerbouw-
bedrijf M. De Bruijn  
Herenweg 208   011, 012, 013   3.1   50 meter (geur volgens geurverordening)   Ongeveer 135 meter  
Veehouderij Langeslag   Herenweg 136   0141, 0142   3.1   50 meter (geur volgens geurverordening)   Ongeveer 160 meter  
Varkensfokkerij Gebroeders Mocking B.V.   Woudsedijk-
Zuid 25, Woubrugge  
0146   4.1   50 meter en 2 ouE (omgekeerde werking)   Ongeveer 300 meter  
Aannemers-
bedrijf Firma J.J. Kuijpers vof  
Herenweg 183   41, 42, 43.3   2   30 meter (geluid)   Ongeveer 35 meter tot woning op kavel 2  

Uit dit onderzoek blijkt dat er in de omgeving van het plangebied alleen een aannemersbedrijf aan de Herenweg 183 relevant is, omdat de meest westelijke woning binnen de richtafstand van 30 m wordt gerealiseerd. De afstand bedraagt echter minimaal 22 m. Hierover wordt het volgende opgemerkt.
De plangrens van de bestemming Bedrijf ligt op de achtergevel van de werkplaats. De zuidelijk gelegen woning aan het Molenpad 3 ligt al op een afstand van 23 m. Dit betekent dat het bedrijf in de bestaande situatie al rekening moet houden met deze maatgevende woning voor het aspect geluid. Bovendien heeft de achterzijde van het bedrijfsgebouw een gesloten wand. Voor de nieuw te bouwen woning kan dan ook een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Voor het overige zijn er in de omgeving geen milieubelastende activiteiten aanwezig. Vanuit milieuzonering bestaan er daarom geen bezwaren tegen de beoogde woningbouwontwikkeling aan het Molenpad 5 in Rijnsaterwoude.

Conclusie
Vanuit een goede ruimtelijke ordening dient te worden aangetoond dat er voor de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Uit onderzoek is gebleken dat een bestaand bedrijf niet worden beperkt in haar bedrijfsvoering. Voor het overige zijn er in de nabijheid van het plangebied geen milieubelastende activiteiten gevestigd, zodat er vanuit milieuzonering geen beperkingen zijn.

6.1.4 Geluid

Wettelijk kader wegverkeerslawaai
Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen.

Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk.

Wettelijk kader vliegtuiglawaai
Het Rijk wil voldoende groeimogelijkheden voor Schiphol en wil daarom voorkomen dat er meer mensen komen te wonen op plaatsen waar veel vliegtuiggeluid is. In de PKB Nota Ruimte (2004) is een gebied aangewezen waar geen nieuwe woningbouw mag plaatsvinden, de zogenaamde '20KE contour'. Uitgezonderd hiervan zijn woningbouwmogelijkheden die al bestonden volgens het in 2004 vigerende streekplan. In Zuid-Holland gaat het om gebieden binnen de rode contouren en om woningen die vanwege de ruimte-voor-ruimte regeling gebouwd mogen worden. In het geval dat binnen de 20KE contour gebouwd wordt, dient wel in het (steden)bouwkundig ontwerp rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van vliegtuiggeluid, ten einde de leefomgevingskwaliteit zo veel mogelijk overeind te houden, bijvoorbeeld door een betere geluidsisolatie in het dak toe te passen. Verder wordt verwezen naar paragraaf 6.1.2.

Wettelijk kader railverkeerslawaai
Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing, maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. In de nabijheid van het plangebied liggen geen spoorwegen.

Wettelijk kader industrielawaai
Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. In de nabijheid van het plangebied liggen geen industrieterreinen.

Onderzoek/ beoordeling
Verkeerslawaai
De relevante weg binnen 250 meter van het plangebied is de Woudsedijk-Zuid (60 km/ uur). De Herenweg en het Molenpad zijn 30 km/ uur gebieden. In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door S&W Consultancy B.V. te Vlissingen (rapport van 8 juli 2014, rapportnummer 2140502, Bijlage 1). Hierbij is tevens de gecumuleerde waarde van de geluidbelasting vastgesteld, waarbij ook '30 km/uur wegen' vanuit een goede ruimtelijke ordening zijn meegerekend.
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden niet wordt overschreden. Dit betekent dat er geen beperkingen zijn voor het plangebied.

N207
Het plangebied ligt op een afstand van circa 250 meter van de N207. De N207 bestaat, conform het geldende bestemmingsplan N207 van 14 juli 2014, ter hoogte van Rijnsaterwoude uit 2*1 rijstrook met aan weerszijden een busstrook. De wettelijke geluidszone bedraagt 400 meter aan weerszijden van de weg. Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de N207.
Uit het bij het geldende bestemmingsplan uit 2014 behorende geluidrapport blijkt dat de geluidbelasting bij de woning Herenweg 193, 52 dB bedraagt. De afstand van het plangebied tot de N207 is circa 100 meter groter dan tot de woning Herenweg 193. Gelet op de afstand van de N207 tot het plangebied, de tussengelegen bebouwing van de kern Rijnsaterwoude die het plangebied afschermt voor geluid vanwege den N207 en de berekende geluidbelasting bij de woning Herenweg 193, kan geconcludeerd worden dat de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Het Luchthavenindelingsbesluit staat de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan evenmin in de weg, omdat de woningbouwlocatie in het Bestaand stads- en dorpsgebied ligt. Bij het ontwerp van de woningen zal overeenkomstig het advies van het ministerie Infrastructuur en Milieu rekening worden gehouden met vliegtuiglawaai.

6.1.5 Bodem

Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

Onderzoek/ beoordeling
Bij een bestemmingsplan dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. In verband hiermede is voor de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Grondslag te Kamerik om de kwaliteit van de bodem vast te stellen (rapport van 16 april 2014, Bijlage 2). Uit de resultaten van het bodemonderzoek kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport).

Er zijn in de grond en het grondwater lichte verhogingen aangetoond aan kobalt, koper, kwik, lood, zink en PAK (10). De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek.
De licht verhoogde concentratie aan barium in het grondwater vormt geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. De onderzoeksresultaten vormen milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit.

Conclusie
Vanuit het aspect bodem worden milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen verwacht voor het bestemmingsplan.

6.1.6 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 6.4 is een overzicht gegeven van de grenswaarden.

Tabel 6.4: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0011.png"

* Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wet milieubeheer behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).

De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;
  • b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;
  • d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (afgekort NSL) is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Doel van het NSL is:

  • 1. Negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;
  • 2. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren door tijdig aan de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit te voldoen.

Het NSL is een bundeling van de regionale actieprogramma's en de Rijksmaatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het NSL bevat enerzijds maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren. Het NSL brengt deze twee aspecten in evenwicht. Het Rijk coördineert het nationale programma. Het Rijk maakt met provincies en gemeenten afspraken over toetsbare resultaten; in de gebieden moeten de normen voor luchtkwaliteit stap voor stap dichterbij komen. De overheden kunnen op die resultaten worden afgerekend. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden.
De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en Ministeriële Regelingen (mr) die gelijktijdig met de 'Wet luchtkwaliteit' in werking zijn getreden, waaronder de AMvB en Ministeriele Regeling niet in betekenende mate (afgekort NIBM).

AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM)
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.

De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd:

  • Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Onderzoek/ beoordeling
Het plan omvat de nieuwbouw van 3 woningen. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate, omdat sprake is van een woningbouwlocatie, die netto niet meer dan 1.500 woningen omvat. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden.

(Agrarische) geurhinder
Ten zuidoosten van Rijnsaterwoude ligt aan de Woudsedijk Zuid 25 een varkensbedrijf. Dit bedrijf beschikt over een geurcontour die zich uitstrekt tot over de kern van Rijnsaterwoude. De planlocatie ligt buiten de 2 ouE contour van de veehouderij. Dit betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op deze locatie.

Conclusie
Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht. Daarnaast is er geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden in het plangebied. Evenmin zijn er belemmeringen voor dit plan met betrekking tot een verderop gelegen varkensbedrijf. De planlocatie ligt buiten de 2 ouE contour van de veehouderij. Aldus wordt de realisatie van deze planontwikkeling conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer toelaatbaar geacht.

6.1.7 Externe veiligheid

Wettelijk kader
Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:

  • Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
  • Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR:

  • rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt.

Onderzoek / beoordeling

Transport gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld.
Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.

Transport over water
Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Transport over spoor
Er ligt binnen een zone van 200 meter van het plangebied geen spoorbaan, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Wegtransport
Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen rijksweg en Provincialeweg met een route gevaarlijke stoffen. (De Provincialeweg N207 ligt op een afstand van 250 meter van de geplande woningbouwlocatie). De N207 vormt dan ook geen belemmering voor deze planontwikkeling.

Transport per buisleiding
Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt vanaf 1 januari 2011 de AMvB Buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in de AMvB. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding van de Gasunie. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling.

Inrichtingen
Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.

Risicokaart Zuid-Holland
De risicokaart Zuid-Holland geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart (figuur 8) zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.

Conclusie
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0012.png"

Figuur 8: Uitsnede risicokaart Zuid-Holland (plangebied met zwarte omlijning aangeduid).

6.2 Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader
In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.

Onderzoek/ beoordeling

Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland
In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid. De plankaart laat zien dat er in dit deelgebied een zeer grote trefkans is op archeologische sporen (stads- of dorpskern).

Archeologiebeleid gemeente Kaag en Braassem (2013)
In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd door The Missing Link. Op basis van deze evaluatie zijn bij raadsbesluit van 13 mei 2013 de ondergrenzen herijkt en de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Daarbij is de nieuwe archeologische beleidsadvieskaart opgenomen. Op de beleidskaart is het gebied aangeduid als 'Historische kernen' (bijlage 9). In verband hiermede is eerder al een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0013.png"

Figuur 9: Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart.

6.2.1 Onderzoek archeologie

Het bureauonderzoek naar archeologie is uitgevoerd door Search Ingenieursbureau B.V. te Heeswijk (rapport van 6 april 2017, projectnummer S0900009, Bijlage 3). Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal en relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd.
Het plangebied ligt in een vlakte van getijdeafzettingen, aan de voet van een veenrestdijk. In de ondiepe ondergrond liggen kleiige tot zandige wadafzettingen, die worden gerekend tot het Laagpakket van Wormer, dat onderdeel uitmaakt van de Formatie van Naaldwijk. Het bodemtype dat binnen het plangebied wordt verwacht is een moerige eerdgrond met een moerige bovengrond of moerige tussenlaag op niet-gerijpte zavel of klei. Toen de omgeving van het plangebied werd bebouwd in de tweede helft van de 19e eeuw is het terrein enigszins opgehoogd.
De drooglegging van de Rijnsaterwoudsche polder, waarin het plangebied ligt, was in 1824 voltooid. De enige bewoningssporen, die eventueel in het plangebied verwacht worden dateren uit de periode1850 tot en met heden. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat hier een molen of een ander bijzonder gebouw heeft gestaan. Bebouwingsresten uit deze periode worden door de provincie niet als behoudenswaardig gezien. Er worden geen archeologische vindplaats verwacht, zodat er ook geen archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied. Een vervolgonderzoek is daarom niet nodig.

Melding toevalsvondst
In geval bij de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van het bepaalde in artikel 5.10 van de Erfgoedwet te worden gemeld aan de Minister van OC&W, door tussenkomst van de afdeling archeologie van Omgevingsdienst West-Holland, tel. 071-4083100. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek.

6.2.2 Monumenten

De bestaande bebouwing in het plangebied heeft geen cultuurhistorische waarde, zodat er op dit vlak geen belemmeringen zijn. Evenmin zijn er in het plangebied cultuurhistorische waarden en/of groen en waterstructuren, welke dienen te worden beschermd.

Conclusie
Het initiatief tast de cultuurhistorische en archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

6.3 Flora en fauna

Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan de Ecologische hoofdstructuur (EHS)/ het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap.

Onderzoek/ beoordeling
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, de ''Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' ligt op een afstand van minimaal 8,6 km. De nieuwbouw van 3 woningen komt in de plaats van een bouwval waar al woningen zijn toegestaan. Dit Natura2000-gebied zal hierdoor niet worden beïnvloed. Gezien de omvang van het plan en de afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn er geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze functiewijziging. Ten zuiden ligt over de Leidse Vaart een ecologische verbindingszone van NNN van de provincie Zuid-Holland (figuur 10). Ook hier heeft de planontwikkeling geen nadelige gevolgen voor het NNN.

afbeelding "i_NL.IMRO.1884.BPMOLENPAD5-VAS1_0014.png"

Figuur 10: Ecologische hoofdstructuur in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangegeven.)

6.3.1 Verkennend ecologisch onderzoek

Bij een bestemmingsplanherziening c.q. nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Van der Goes en Groot te Alkmaar een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd voor het onderhavige plangebied (rapport van 8 juli 2014, Bijlage 4). Dit ecologische onderzoek is uitgevoerd op basis van reeds vervallen wetgeving, maar de nieuwe Wet natuurbescherming geeft geen aanleiding om het rapport aan te passen.

Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en veldonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport).

  • Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels en (kleine) zoogdieren.
  • Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over populaties in de omgeving, zullen van de amfibieën en (kleine) aan land gebonden zoogdieren alleen licht beschermde soorten aanwezig zijn.
  • Voor de aangetroffen of verwachte licht beschermde soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig.
  • In het plangebied kunnen broedvogels voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van maart tot en met juli. Voor de aanwezige Spotvogel, die wordt genoemd op de landelijke Rode Lijst gelden geen bijzondere beschermingsmaatregelen.
  • In het plangebied kunnen verblijvende vleermuissoorten voorkomen. Een vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen is evenwel niet langer noodzakelijk, omdat in november 2016 de bouwval is gesloopt aangezien het hoogheemraadschap hier ophoogwerkzaamheden moest verrichten. In verband hiermee is de noodzaak tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek naar vleermuizen komen te vervallen.
  • Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.
  • Het plangebied is al bouwrijp gemaakt, zodat er geen beschermde soorten meer zijn te verwachten.

Hoewel het flora- en faunaonderzoek van Van der Goes en Groot is uitgevoerd op basis van de reeds vervallen Flora- en faunawet, blijkt na toetsing aan de per 1 januari 2017 geldende Wet natuurbescherming, en het feit dat de bouwval reeds is gesloopt en het terrein is ontdaan van opgaande begroeiing, dat er geen (nieuwe) beschermde soorten meer zijn te verwachten. Er is geen aanleiding het rapport aan te passen aan de Wet natuurbescherming.

Algemene zorgplicht
Voor alle planten- en diersoorten geldt de algemene zorgplicht die is opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora en/of fauna kan hebben, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Teneinde de zorgplicht na te leven worden voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische aanbevelingen gegeven:

  • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
  • Om schade aan vissen te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering.

Conclusie
Op basis van de per 1 januari 2017 geldende Wet natuurbescherming en het provinciale natuurbeleid levert het aspect ecologie geen planologische belemmering op.

6.4 Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

Hoofdstuk 7 Juridische opzet

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

7.2 Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:500, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.

7.3 Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten.
  • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied.
  • Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkings- wijzigingsregels opgenomen.
  • Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
7.3.1 Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen
In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot.

Artikel 2 Wijze van meten
In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

7.3.2 Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of vanwerkzaamheden.

Artikel 3 Tuin
De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen, behorende bij de in de aangrenzende bestemming gelegen hoofdgebouwen (bestemd als 'Wonen'). Op de gronden met deze bestemming zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot een hoogte van 1 meter.

Artikel 4 Verkeer
De bestemming 'Verkeer' geldt voor wegen en paden in het plangebied, inclusief niet structurele groen- en watervoorzieningen. Hier zijn de gebruikelijke verkeersfuncties met daarnaast bijbehorende groen- en speelvoorzieningen en water toegestaan.

Artikel 5 Water
De bestemming 'Water' is opgenomen voor het open water in het plangebied. Het betreft hier een eenduidige regeling welke geen nadere toelichting behoeft.

Artikel 6 Wonen
De op de verbeelding voor 'Wonen' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor vrijstaande en twee-aaneen gebouwde woningen en andere voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van personen. Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen en aan- of uitbouwen en andere bouwwerken. In de regels zijn onder meer de toegestane hoogten van de hoofdgebouwen vastgelegd. Het aantal woningen mag niet meer dan 3 bedragen. Voor bijbehorende bouwwerken is de regelgeving van toepassing zoals opgenomen in het Besluit omgevingsrecht. Een nadere regeling in het bestemmingsplan is dan ook niet langer nodig.

Artikel 7 Waarde - Archeologie 1
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' beschermt de archeologische waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig.

Artikel 8 Waterstaat - Waterkering 
Deze dubbelbestemming voorziet in een beschermingsregeling voor de waterkering en de bijbehorende beschermingszone. Voor werkzaamheden binnen deze zone is een aanvullende omgevingsvergunning noodzakelijk. Bij de afgifte van deze vergunning wordt nader advies ingewonnen bij het Hoogheemraadschap.

7.3.3 Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn.

Artikel 9 Antidubbeltelbepaling
Het artikel 'Antidubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.

Artikel 10 Algemene bouwregels
In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Voorts zijn in de regels de aan te houden parkeernormen vastgelegd.

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels
Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht.
Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen.

Artikel 13 Algemene wijzigingsregels
In het artikel 'Algemene wijzigingsregels' is de mogelijkheid opgenomen om een aantal standaard wijzigingen in het plan aan te brengen, indien blijkt dat daaraan in de toekomst behoefte bestaat. De bevoegdheid is gebaseerd op het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder a van de Wro. De wijzigingsregels bieden in aanvulling op de afwijkingsregels mogelijkheden voor bestemmingswijzigingen, verschuivingen van bestemmingsgrenzen en bebouwingsmogelijkheden voor nutsvoorzieningen. Ook is er een regel opgenomen die voorziet in een bijstelling van de opgenomen bouwregels indien daaraan bij de uitvoering van het plan behoefte zou bestaan.
Aan toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dient, evenals bij de toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, een belangenafweging ten grondslag te liggen. Overeenkomstig de jurisprudentie is deze bevoegdheid van burgemeester en wethouders of van de gemeenteraad aan (objectieve) grenzen gebonden.

7.3.4 Overgangs- en slotregels

Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.

Artikel 14 Overgangsrecht
Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.

Artikel 15 Slotregel
Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

7.4 Handhaving bestemmingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels.

Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:

  • 1. Voldoende kenbaarheid van het plan
    Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd.
  • 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan
    De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak.
  • 3. Realistische en inzichtelijke regeling
    Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is.
  • 4. Actief handhavingsbeleid
    Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

8.1 Financiële haalbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten anterieure overeenkomst, waaronder ook de afwikkeling van planschade. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de anterieure overeenkomst.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke betrokkenheid

9.1 Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties. De reactie van het hoogheemraadschap is verwerkt in de Waterparagraaf. De provincie heeft geen opmerkingen op het plan. De overige instanties hebben niet gereageerd.

9.2 Zienswijzen

Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan met ingang van 23 februari 2017 gedurende zes weken ter inzage te leggen. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.