Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Vriezekoop 11j te Leimuiden
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1884.BPVRIEZEKOOP11J-VAS1

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Het perceel aan de Vriezekoop 11j te Leimuiden kent een groene natuurlijke inrichting. Op het perceel bevinden zich enkele bomen en een berging. De wens is om de bestaande berging om te vormen tot een trekkershut en daarnaast nog 3 nieuwe trekkershutten te creëren binnen het plangebied. 
  
De gemeente Kaag en Braassem heeft aangegeven in principe akkoord te gaan met de beoogde recreatieve wijziging. Op basis van het vigerende bestemmingsplan (zie toelichting paragraaf 1.3) is de mogelijkheid voor het oprichten van trekkershutten niet opgenomen. Gezien de strijdigheid met het bestemmingsplan Buitengebied Jacobswoude geeft de gemeente aan dat er een bestemmingsplan moet worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste bestemmingswijziging.
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied ligt in het buitengebied van Leimuiden, ten oosten van de kern Leimuiden, langs de Drecht aan de Vriezekoop Zuid 11j. De Vriezekoop Zuid staat in verbinding met de provinciale weg N207. Ten noorden en zuidwesten, op ruim een kilometer afstand van het plangebied liggen de Westeinderplassen en het Braassemermeer.
 
Globale ligging plangebied (bron: Google Maps)
 
De volgende afbeelding toont de begrenzing van het plangebied.  
Globale begrenzing plangebied (bron: Google Maps)
1.3 Geldende bestemmingsplannen
Het plangebied ligt binnen het plangebied van het bestemmingsplannen 'Buitengebied Jacobswoude'. Inmiddels heeft dit bestemmingsplan 2 herzieningen ondergaan en is een reparatieplan vastgesteld. De herzieningen en reparatie hebben geen betrekking op betreffend plangebied maar wel op het perceel aan de overzijde van de Drecht (Vriezekoop 6).
 
Het bestemmingsplan 'Buitengebied Jacobswoude' is op 8 maart 2009 vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Jacobswoude. Op 29 september 2010 heeft de Raad van State goedkeuring onthouden aan enkele plandelen, deze hebben geen betrekking op dit plangebied. Per 30 september 2010 is het plan onherroepelijk geworden.
 
De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van dit bestemmingsplan:
 
Fragment verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied Jacobswoude' (rood = globale ligging plangebied)
   
De gronden van het plangebied hebben in dit plan de bestemming 'Natuurdoeleinden' (N) en Natuurdoeleinden met een subbestemming recreatie (Nr). De gronden zijn bestemd voor behoud, bescherming en beheer van de natuur- en landschapswaarden. Daar waarde de bestemming Nr geldt zijn de gronden mede bestemd voor dagrecreatief verblijf zoals vissen, picknicken en/of (moes)tuinieren waarvoor een terras is toegestaan met een oppervlak van maximaal 20 m².
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
2 Planbeschrijving
 
2.1 Huidige situatie
De huidige situatie van het plangebied wordt gekenmerkt door een natuurlijke inrichting met gras, oevers, en kleine insteekhavens. Oostelijk van het perceel bevinden zich 2 woningen. Aan de westzijde liggen een aantal percelen die eveneens een recreatieve subbestemming hebben. Het perceel is inclusief de insteekhavens circa 2.850 m² groot.
 
Westelijk deel van het perceel met insteekhaven en bestaande berging
 
Oostelijk deel van het perceel
2.2 Toekomstige situatie
De wens van de initiatiefnemers is om op het plangebied een viertal trekkershutten te realiseren. De bestaande berging die momenteel binnen het plangebied gelegen is zal omgevormd worden tot trekkershut en behoort tot éen van de vier te realiseren trekkershutten op het perceel. Ten behoeve van de recreatieve ontwikkeling zal op het perceel voldoende ruimte worden voorzien voor parkeren op eigen terrein. De ontwikkeling leidt hiermee niet tot een toename van de parkeerdruk in de omgeving.
 
Op navolgende afbeelding is de situering van de trekkershutten weergegeven. De grijze trekkershut komt ter plaatse van de bestaande berging. De oranje gekleurde trekkershutten zijn nieuw te realiseren.
Situering van de trekkershutten binnen het plangebied
 
Landschappelijke inpassing
De vier trekkershutten zullen per twee op het perceel geplaatst worden. De nieuw te realiseren trekkershutten worden in een zelfde rooilijn geplaatst als de woning aan de Vriezekoop Zuid 13. De om te bouwen berging is reeds achter de bomen op het perceel gepositioneerd. De gehele ontwikkeling is van een dermate schaal en positionering dat het groene karakter op het perceel in stand wordt gehouden. Ook de nieuw te realiseren trekkershutten worden op een dermate wijze gepositioneerd op het perceel dat het groene karakter in stand blijft.
 
Navolgende afbeeldingen geven een impressie weer van de te realiseren trekkershutten. 
 
Impressie vooraanzicht trekkershut
 
 
Impressie zijaanzicht trekkershut
3 Beleid
3.1 Nationaal beleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
 
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
 
Planspecifiek
Doordat de beoogde ontwikkeling geen rijksverantwoordelijkheid omvat zijn er geen raakvlakken met het Rijksbeleid.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:
  1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;
  2. kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).
Planspecifiek
 
Ad a) Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van verblijfsrecreatieve onderkomens en is daarmee geen stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder is derhalve niet noodzakelijk.  
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Visie ruimte en mobiliteit
De Visie ruimte en mobiliteit (VRM) is de provinciale Structuurvisie zoals in de Wro is voorgeschreven. De VRM biedt geen vast omlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt, en bevat voldoende flexibiliteit om in de ruimtelijke ontwikkeling te reageren op maatschappelijke initiatieven. Dit beleid is verder uitgewerkt in de Programma’s ruimte en mobiliteit. De Verordening ruimte 2014 bevat regels voor gemeentelijke ruimtelijke plannen. De Agenda ruimte gaat in op de realisatie van het ruimtelijk beleid.
 
Vier rode draden
Deze rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie:
  1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  4. bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.
Planspecifiek
Het perceel aan de Vriezekoop 11j ligt in het veenlandschap van het Groene Hart. Voor het veenlandschap zet de provincie in op behoud en versterking van het waterrijke en open karakter. Water bepaalt in hoge mate de landschappelijke identiteit van Zuid-Holland. Het beleefbaar en toegankelijk maken van dit water vergroot de recreatieve gebruikswaarde. Daarnaast is behoud van de kenmerkende afwisseling van veenweidelandschap, rivieren, boezems, plassen en droogmakerijen van groot belang. De veenlandschappen combineren een agrarische economie met cultuurhistorische en ecologische waarden. Bij de versterking van de recreatieve kwaliteit ligt de nadruk minder op de aanleg van nieuwe groengebieden, maar meer op verbetering van de landschappelijke kwaliteit en de toegankelijkheid van de groene ruimte.
 
De toevoeging van enkele trekkershutten zal de beleefbaarheid van het water versterken. Tevens draagt het bij aan de versterking van de recreatieve kwaliteit van het gebied als geheel en de toegankelijkheid van de openbare ruimte. Onderhavig plan is daarmee in overeenstemming met het beleid van de provinciale visie.
3.2.2 Verordening ruimte 2014
De Verordening ruimte 2014 is vastgesteld in samenhang met de Visie ruimte en mobiliteit en het Programma ruimte. De visie bevat de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het ruimtelijk beleid is uitgewerkt in het Programma ruimte. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van juridische doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. In artikel 2.1.1 lid 2 is opgenomen wat wordt verstaan onder het BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.
 
In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen:
  1. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  2. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  3. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van toepassing is, en
    3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.'
Ruimtelijke kwaliteit
De Verordening Ruimte stelt in art. 2.2.1, eerste lid dat een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder voorwaarden dat het ruimtelijk past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart(en).
 
Planspecifiek
De provinciale ladder voor duurzame verstedelijking komt grotendeels overeen met de ladder voor duurzame verstedelijking die in toelichting paragraaf 3.1.3 aan de orde is gekomen. Enkel het gegeven dat de ontwikkeling moet passen in de doelstelling en richtpunten van de kwaliteitskaart komt hier niet aan de orde. Voor het plangebied aan de Vriezekoop zijn de volgende kwaliteitskaarten van toepassing.
  1. Laag van de ondergrond
  2. Laag van cultuur en natuurlandschappen
  3. Gebiedsprofiel 'Hollands plassengebied'
De voorziene ontwikkeling wordt per kwaliteitskaart in toelichting paragraaf 3.2.3 verantwoord. De overige kwaliteitskaarten zijn voor het plangebied niet van toepassing.
3.2.3 Kwaliteitskaarten
Richtpunten laag van de ondergrond
  • Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn gericht op het beperken van de bodemdaling.
  • Ontwikkelingen in droogmakerijen leveren een bijdrage aan een duurzame waterhuishouding.
  • Ontwikkelingen houden rekening met hun invloed op het watersysteem als geheel en dragen bij aan een duurzame en zo eenvoudig mogelijke werking van dit systeem.
  • Ontwikkelingen versterken de samenhang en continuïteit in het watersysteem als dragende ecologische en recreatieve structuur van Zuid-Holland. Ruimte voor natuurlijke dynamiek is hierbij een uitgangspunt.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het oppervlaktewater.
Planspecifiek
De plannen voor realisatie van een viertal trekkershutten passen binnen de kwalitatieve uitgangspunten van de 'Laag van de ondergrond'. Ze hebben geen negatieve gevolgen voor het veen of de bodemdaling en dragen bij aan het versterken van de recreatieve structuur en het verbeteren van de toegankelijkheid van het oppervlaktewater. 
 
Richtpunten laag van cultuur en natuurlandschappen
  1. Droogmakerijen (klei en veen):
    • De droogmakerij blijft als eenheid herkenbaar door het beleefbaar houden van de randen (ringdijk of – vaart) en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land.
    • Behoud van de (ring)dijk en/of vaart als herkenbare landschappelijke structuurdrager en begrenzing van de droogmakerijpolders.
  2. Droogmakerijen (klei):
    • Nieuwe ontwikkelingen in de droogmakerij worden vormgegeven als eigentijdse objecten aan de ontginningslijnen, passend bij de schaal en het patroon van de rechthoekige verkaveling, met strakke groene omzoming en behoud van ruime doorzichten. 
Planspecifiek
De plannen voor realisatie van een viertal trekkershutten passen binnen de kwalitatieve uitgangspunten van de 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen'. Het hoogteverschil en de beleefbaarheid van de droogmakerij blijven behouden. Tevens worden de nieuwe ontwikkelingen ingepast binnen de schaal van de verkaveling met behoud van doorzichten naar de omgeving.
     
Gebiedsprofiel Hollandse plassen
De relevante kaarten uit het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied' zijn:
  1. Droogmakerij als herkenbare eenheid
    • Ringdijk: Ontwikkelingen houden rekening met de beleefbaarheid van het contrast tussen kade en polder en de recreatieve toegankelijkheid van de randen worden versterkt;
    • Droogmakerij: Respecteren van de samenhang en beleefbaarheid van de droogmakerij. Er is ruimte voor nieuwe functies, mits deze bijdragen aan een duurzame waterhuishouding, natuurontwikkeling en/of recreatieve aantrekkelijkheid en passen binnen de maat en schaal van de droogmakerij.
  2. Water als structuurdrager
    • Behoud en versterken van de waterstructuur als dragende identiteit van het gebied. De continuïteit van de waterstructuur is van belang voor recreatieve en ecologische verbindingen waarbij hoogteverschillen, zichtpunten en panorama's in stand blijven.
  3. Linten blijven linten
    • Bij ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor de historische gaafheid van een lint richtinggevend. Nieuwe bebouwing is zeer beperkt mogelijk.
  4. Gevarieerd en verbindend vrijetijdslandschap
    • Accenten voor nieuwe ontwikkelingen komen te liggen in toegankelijke en multifunctionele landschappen in de nabijheid van de stad met een hoge gebruiks- en belevingswaarde;
    • Voor de vaarnetwerken geldt dat zij gericht zijn op het verbeteren van de recreatieve gebruikswaarde en belevingskwaliteit waarbij aanlegplaatsen en steigers op gepaste wijze worden ingepast in het netwerk.
Planspecifiek
De plannen voor realisatie van een viertal trekkershutten voldoen aan het gebiedsprofiel 'Hollands Plassengebied' en dragen positief bij aan de gebruiks- en belevingswaarde van de droogmakerij en het vaarnetwerk. Tevens versterken de plannen de recreatieve toegankelijkheid van het gebied waarbij de relatie met het water als dragende identiteit van het gebied centraal staat.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025
De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 12 december 2011 de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. De MRSV is de gemeentelijke visie op de maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkeling in het jaar 2025.
 
De MRSV integreert het beleid vanuit verschillende beleidssectoren tot een logisch en samenhangend geheel. De MRSV biedt een beleidslijn op hoofdlijnen vanuit de gedachte dat de gemeente zich niet (meer) tot in detail met alles gaat bemoeien. Voor zaken en activiteiten waar de gemeente de komende jaren nog wel een duidelijke verantwoordelijkheid heeft of wil hebben, moet aanvullend beleid worden ontwikkeld. Voor dit aanvullende beleid geldt de MRSV als basis.
 
De MRSV is in lijn gebracht met de beleidsdoelen van het Rijk en de provincie. Zo zijn de ‘gebiedsprofielen’ van de provincie gebruikt als basis voor de ruimtelijke structuur. Op regionale schaal zijn de beleidsdoelen van Holland Rijnland in deze MRSV geïntegreerd. Ook is gekeken naar de verschillende beleidsdoelen van de voormalige gemeenten Alkemade en Jacobswoude. De gemeente maakt in de MRSV vijf strategische keuzes:
  1. geen nieuwe woningbouwplannen; wel afronding huidige projecten en versterken bestaande woonmilieus.
  2. delen verantwoordelijkheid; de gemeente neemt niet meer zelf initiatief, maar faciliteert.
  3. verschil tussen groei- en groenkernen; het behoud van voorzieningen is ondergeschikt aan de kwaliteit van (samen)leven. Bundelen van voorzieningen en woningaanbod enkel in de groeikernen. Dit versterkt de levensvatbaarheid van die voorzieningen.
  4. ruimtelijke kwaliteit staat voorop; economische ontwikkelingen worden gestimuleerd langs de hoofdverkeersaders en langs de intensievere recreatieve routes. Daarmee worden de waardevolle landschappen beschermd.
  5. ontwikkeling door beheer; de focus komt steeds meer te liggen op de ontwikkeling van kleinschalige herstructureringen binnen de bestaande woonomgeving.
Planspecifiek
Het plangebied ligt in het buitengebied. Onderhavig plan betreft geen nieuw woningbouwplan maar een planologische wijziging om een recreatieve functie mogelijk te maken. Het initiatief versterkt de ruimtelijke kwaliteit waarbij ontwikkelingen langs de recreatieve routes worden gestimuleerd. Daarmee is het voorstel passend binnen het beleid van de structuurvisie.
Een planmatige ontwikkeling van de vrijetijdssector kan als vliegwiel dienen voor de transformatie van de openbare ruimte en de regionale economie. In Kaag en Braassem zijn er veel kansen om de recreatie en hiermee de vrijetijdseconomie, te versterken. Deze kansen richten zich onder andere op de ontwikkelingen van het Hollands Plassengebied, maar ook op dagrecreatie en kleinschalige verblijfsrecreatie.
De gemeente Kaag en Braassem fungeert als recreatieve 'uitloop' voor omliggende verstedelijkte regio's (Alphen aan den Rijn, Leiden, Leiderdorp en Haarlemmermeer). De recreatieve kansen kunnen veel betekenen voor de leefbaarheid van de gemeente. De toegankelijkheid van het landelijk gebied en het verknopen van bebouwde en onbebouwde omgeving versterken de belevingswaarde van beide. In de MRSV staat derhalve dat het belangrijk is  om te investeren in bijvoorbeeld goede routes en gelegenheid om te verblijven.
 
De beoogde ontwikkeling komt overeen met de behoefte uit de MRSV. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt ingespeeld op de recreatieve potentie die in het gebied aanwezig is, middels de realisatie van de trekkershutten. De ontwikkeling vormt een impuls aan de recreatieve sector van Kaag en Braassem. Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van de MRSV.
3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Rijn- en Vechtstreek
De gemeenten Alphen aan den Rijn, Kaag en Braassem, Nieuwkoop en Rijnwoude, hebben gezamenlijk het LandschapsOntwikkelingsPlan Rijn- en Veenstreek (LOP) opgesteld. Dit plan is op 11 augustus 2009 door de gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. Het LOP is het beleidskader voor het behoud van bestaande landschappelijke kwaliteiten.
Uitsnede uit het Landschapsontwikkelingsplan (plangebied rood omcirkeld) 
 
Ten aanzien van het mogelijk maken van recreatieve ontwikkelingen stelt het Landschapsontwikkelingsplan dat een beperkte groei van de recreatieve voorzieningen denkbaar is, omdat hieraan behoefte is en dit ook bijdraagt aan de economische functie van het gebied. De cultuurhistorie, het fraaie open landschap en de uitgebreide waterstructuur bieden volop kansen voor een interessant en gevarieerd recreatief aanbod aan voorzieningen en routes. Er liggen mogelijkheden in het verder verbinden van recreatieve routes over land en water. Bij alle voorzieningen is vanwege het open landschap een goede landschappelijke inpassing gewenst vanaf het water en het land. Gebruik van beplanting en sober kleurgebruik van harde materialen is hierbij aan de orde.
 
Planspecifiek
Het plangebied ligt langs de Drecht, welke als een groen lint in het landschap ervaren wordt met een hoge landschappelijke en recreatieve waarde. Voor dit gebied geldt het "Behouden van karakteristieke bebouwingslinten langs natuurlijke rivieren". De plannen voor een viertal trekkershutten passen binnen het bebouwingslint en dragen positief bij aan de behoefte aan recreatieve voorzieningen. Daarbij versterkt het initiatief het verder verbinden van recreatieve routes over land en water door het toevoegen van rustplaatsen die op een landschappelijk manier worden ingepast.
Daarmee is het voorstel passend binnen het beleid van het Landschapsontwikkelingsplan Rijn- en Vechtstreek.
3.3.3 Welstandsnota
Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstands-aspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken.
 
In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart.
 
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in welstandsluw gebied. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied en het plangebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld.
3.3.4 Visie Recreatieve impuls
De gemeente Kaag en Braassem heeft de ambitie uitgesproken een recreatiegemeente te willen zijn. Om hier invulling aan te geven, is de visie Recreatieve Impuls opgesteld. In de visie staat wat de gemeente concreet gaat doen om de recreatieve sector een impuls te geven en welke planologische mogelijkheden er geboden worden om private partijen aan te zetten tot investeringen in de recreatieve sector.
 
In de gemeente Kaag en Braassem liggen volop kansen voor investeringen in de recreatieve sector, en dan met name in de verblijfsrecreatieve sfeer. De recreatieve aantrekkingskracht van de gemeente wordt voornamelijk bepaald door het karakteristieke Hollandse landschap met zijn polders, meren, boerderijen, molens en historische dorpskernen. In de visie zijn de volgende ruimtelijke thema's onderscheiden:
  • De meren
  • De waterdorpen
  • De oude veenpolders
  • De droogmakerijen
  • De agrarische dorpen
  • Het tuinbouwgebied
Het plangebied behoort tot de categorie 'waterdorpen'. Hierbij komt naar voren dat kernen als Kaag, Oude Wetering, Woubrugge, Leimuiden en Hoogmade als (water)recreatieve voorzieningenclusters met aantrekkelijke dorpskernen inclusief verblijfsaccommodaties, culturele voorzieningen, evenementen, winkels en horeca worden gezien. Deze dorpen zijn door de eeuwen heen voornamelijk ontwikkeld langs belangrijke waterassen zoals bijvoorbeeld de Oude Wetering, de Woud Wetering en de Drecht. Via deze assen heeft vroeger intensief scheepvaartverkeer tussen de Rijn, Amsterdam, Leiden en Alphen aan den Rijn plaatsgevonden. Deze achtergrond heeft er voor gezorgd dat de waterrecreatieve sector dan ook goed vertegenwoordigd is in deze kernen. De trend van de vervaging tussen wal- en waterrecreatie zal dan ook met name in deze kernen tot uiting kunnen komen. 
 
Planspecifiek
Met voorliggend initiatief vindt met de realisatie van een viertal trekkershutten een recreatieve ontwikkeling plaats aan de oever van de Drecht. Hiermee draagt het initiatief bij aan de recreatieve potentie van de kern Leimuiden. Tezamen met andere recreatieve initiatieven vormt de ontwikkeling een impuls voor de recreatieve sector van Kaag en Braassem en wordt de recreatieve bruikbaarheid van het gebied met de ontwikkeling versterkt.
4 Onderzoek
Een bestemmingsplan dient voorzien te zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing. Dit houdt in dat verschillende ruimtelijke en milieutechnische aspecten onderzocht moeten worden. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening op de verschillende aspecten ingegaan. Daarbij moet gedacht worden aan de aspecten bedrijven en milieuzonering, lucht, ecologie, externe veiligheid, geluid en water.
4.1 Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. 
  
Het planvoornemen voorziet in het toevoegen van een gevoelige functie (verblijfrecreatie) zodat het voornemen getoetst moet worden op milieutechnische haalbaarheid.
 
Planspecifiek
In de directe omgeving van het plangebied is één bedrijf aanwezig. Het bedrijf is gevestigd aan de overzijde van de Drecht aan de Vriezekoop 6. Het betreft een aantal bedrijfshallen die in gebruik zijn voor opslagdoeleinden ten behoeve van derden. Tevens is op het perceel een loonbedrijf gevestigd. Voor het perceel geldt de bestemming Bedrijfsdoeleinden met de subbestemming 'bedrijven in de categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten'. Bedrijven tot categorie 2 hebben een maximale hinderafstand van 30 m. De afstand van de bedrijfsbestemming tot het plangebied bedraagt ca. 40 m. Hiermee wordt voldaan aan de algemene richtafstanden in het kader van milieuzonering.
  
Naast het reguliere bedrijf zijn in de omgeving ook een aantal agrarische bedrijven (veehouderijen) aanwezig. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijfsgebouw (Vriezekoop Noord 10) ligt op een afstand van  circa 115 m tot aan het plangebied. Voor bedrijven ten behoeve van fokken en houden van rundvee geldt een richtafstand van 100 m in verband met geurhinder. De trekkershutten liggen op voldoende afstand tot de agrarische bedrijven.
 
Gelet op bovenstaande wordt ten aanzien van agrarische en niet-agrarische functies voldaan aan de algemene richtafstanden in het kader van milieuzonering en worden deze met dit initiatief niet extra belemmerd en/of evenredig in hun belangen worden geschaad.
 
Voor de te realiseren trekkershutten geldt op basis van de VNG-publicatie een richtafstand van 30 meter ten opzichte van reguliere burgerwoningen in een gemengd gebied. Deze afstand geldt echter voor volledige vakantieparken (met publieke voorzieningen), en is niet specifiek toegekend aan enkele trekkershutten. Een individuele recreatiewoning is goed inpasbaar tussen reguliere burgerwoningen. Met een minimale afstand van 10 meter tot naastgelegen percelen liggen de trekkershutten op voldoende afstand.
 
 Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde wijziging.
4.2 Bodem
In het kader van een bestemmingsplan moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij herinrichtingssituaties is doorgaans een bodemonderzoek noodzakelijk in het kader van de Woningwet. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. In het kader van de zorgplicht kan bij gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik een bodemonderzoek echter ook noodzakelijk zijn.
 
Planspecifiek
In december 2016 is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling (bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit het onderzoek blijkt dat in de bovengrond geen verontreinigingen zijn geconstateerd. De ondergrond is licht verontreinigd met gehaltes aan kwik en lood. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd.
Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen zijn voor voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.
4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Planspecifiek
Omdat er slechts vier trekkershutten worden gerealiseerd kan gesteld worden dat er sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB.
 
Planspecifiek
Het initiatief voorziet in de realisatie van nieuwe recreatieverblijven. Recreatieverblijven zijn geen geluidsgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
 
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
 
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
 
Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
   
Planspecifiek
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
 
   
Uitsnede risicokaart (plangebied zwarte ovaal)
 
Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet in het invloedsgebied van een bedrijf ligt waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. Ook ligt het niet in een invloedsgebied van een spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen.  
De provinciale weg N207 ligt op ruim 850 m afstand. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Volgens telgegevens gaat het om stoffen in de categorieën LF1 en LF2, ofwel brandbare vloeistoffen. Voor de weg geldt risicocontour (plaatsgebonden risico) van 16 meter. Hierdoor is er geen noodzaak om nader onderzoek uit te voeren.
 
Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid va nde voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Waterhuishouding
 
4.6.1 Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. 
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
4.6.2 Hoogheemraadschap van Rijnland
Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn:
  • veiligheid tegen overstromingen;
  • voldoende water;
  • gezond water.
Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en  kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
 
De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water.
 
Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.  Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft het hoogheemraadschap een adviserende rol en in de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen een regelgevende rol.
 
Keur en uitvoeringsregels
Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
  • onttrekken en lozen van grondwater;
  • het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels  die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.
 
Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht. Indien de toename meer bedraagt (t/m 5.000 m²) is in de regels opgenomen dat het oppervlak van het ter compensatie aan te leggen water, minimaal 15 % moet bedragen van het oppervlak van de toename aan verharding. Indien nieuwe compensatie moet worden gerealiseerd, moet deze voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding zijn gerealiseerd, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding worden gerealiseerd.
 
Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
 
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
 
Planspecifiek
Het plangebied bestaat in de huidige situatie voornamelijk uit groen: weide met enkele bomen. Met de voorgenomen ontwikkeling zal op het plangebied een viertal trekkershutten worden gerealiseerd. De bestaande berging die momenteel binnen het plangebied gelegen is zal ook omgevormd worden tot trekkershut.
 
De trekkershutten krijgen ieder een omvang van 36 m². In totaal betreft hiermee in de nieuwe situatie het verhard oppervlakte in het plangebied 144 m². De te realiseren parkeerplaatsen worden halfverhard uitgevoerd zodat de extra toename aan verhard oppervlak beperkt wordt en de groene uitstraling van het plangebied behouden blijft. Tussen de te realiseren ontwikkelingen zal het gebied de huidige groene inrichting behouden. 
 
In de nieuwe situatie vindt in geen geval een toename aan verharding van meer dan 500 m² plaats. Watercompensatie is derhalve niet noodzakelijk. 
 
Het afvalwater en het hemelwater worden gescheiden aangeboden op de perceelsgrens en er zal geen gebruik gemaakt worden van uitlogende bouwmaterialen.
 
In het plangebied worden werken aangebracht binnen de zones van de regionale waterkering. De Keur met de betreffende uitvoeringsregels is van toepassing op de voorgenomen planontwikkeling binnen de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient de initiatiefnemer instemming te hebben van Rijnland.
4.7 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
In november 2016 is door Blom Ecologie een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd (bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied of de directe omgeving daarvan mogelijk beschermde diersoorten van de Flora- en faunawet voorkomen. Het plangebied heeft, behoudens vleermuizen, aannemelijk geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Gedurende de ontwikkeling kan geschikt habitat ontstaan voor de rugstreeppad. De struiken, bomen en oeverzones zijn geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of het Natuurnetwerk Nederland. Van externe werking is geen sprake.
 
Uitvoerbaarheid bestemmingsplan
De beoogde ontwikkeling van de trekkershutten leidt niet tot de aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van rugstreeppad, vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun algemene leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit).
 
Conclusie
De realisatie van trekkershutten aan de Vriezekoop Zuid 11j te Leimuiden is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6. Bro).
4.8 Cultureel erfgoed
4.8.1 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
 
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Planspecifiek
Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. In de directe omgeving zijn eveneens geen monumenten aanwezig. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale waarden aantast.
4.8.2 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
 
Gemeentelijk archeologiebeleid
De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 23 mei 2011 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd.
 
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem.
Uitsnede archeologische beleidskaart (globale ligging plangebied: zwarte ovaal)
 
Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een ontginningsas. Voor dergelijke gebieden geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is indien de bodemingrepen groter zijn dan 150 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld. Met de voorgenomen ontwikkeling worden een viertal trekkershutten gerealiseerd, waar van één hut wordt gerealiseerd middels uitbreiding van de bestaande berging. Gezien elke trekkershut een omvang heeft van maximaal 36 m² inclusief bijgebouwen, is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk (immers bodemingrepen betreffen maximaal 144 m²).
 
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
 
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
 
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde.
 
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
 
Recreatie
Voor de recreatieve ontwikkelingen in het plangebied is de bestemming 'recreatie' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn verblijfsrecreatieve activiteiten toegestaan alsmede bijbehorende voorzieningen zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, toegangswegen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater.
 
Water
Voor de gronden in het plangebied, welke in de huidige situatie reeds bestaan uit water, is de bestemming 'water' opgenomen.
 
Waterstaat - waterkering
De gronden aan de wegzijde hebben de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' gekregen conform de geldende planologische regeling. Deze dubbelbestemming voorziet in een beschermingsregeling voor de waterkering en de bijbehorende beschermingszone.
Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan als hiervoor afgeweken wordt door het bevoegd gezag. Er wordt uitsluitend afgeweken als de functie hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Het bevoegd gezag wint hiervoor, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, advies in bij de beheerder, voordat ze beslist op het verzoek om af te wijken.
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan.
 
In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening/gemeentelijke plankosten en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
 
Vooroverleg 
In het kader van vooroverleg heeft initiatiefnemer de buurt geïnformeerd over het initiatief. Gesprekken hebben plaatsgevonden in de week van 14 juli 2016 met de eigenaren van de percelen Vriezekoop 13 en Vriezekoop 11E. De eigenaren van onderhavig initiatief hebben in deze gesprekken aangegeven de trekkershutten zelf te gaan bouwen, net als het bestaande bouwwerk op het perceel Vriezekoop 11J. Uit de gesprekken blijkt dat er geen negatieve reacties zijn op het plan.
 
Het perceel ‘Vriezekoop 11E (westelijk van 11J gelegen)’ is niet bewoond. De eigenaar van dat perceel was verrast dat het college van B&W instemt omdat hij zelf vroeger een opslaghok voor haardhout zonder vergunning had gemaakt, hetgeen hij moest afbreken daar hij de leges te hoog vond en die niet wilde betalen. Initiatiefnemers hebben echter aangegeven dat er meerdere keren een oproep van de Gemeente voor recreatieve initiatieven had gestaan in het plaatselijk blad waarop iedereen had kunnen reageren. Na deze uitleg werd het standpunt van de gemeente beter begrepen. Inmiddels heeft de eigenaar wel een schuurtje mogen plaatsen waarmee hij tevreden is.
 
Desondanks dat de gesprekken zijn gevoerd zijn alsnog op voorhand enkele bezwaren ingediend op de voorgenomen ontwikkeling. Het betreft een 4-tal bezwaren, afkomstig van de eigenaren van de volgende percelen:
  • Vriezekoop noord 6. Afstand woning tot plangebied: circa 40 meter tot erfgrens en ca. 60 meter tot dichtstbijzijnde trekkershut met tussenkomst watergang en weg.
  • Vriezekoop Zuid 13. Afstand woning tot plangebied: circa 3 meter tot erfgrens, minimaal 15 meter tot dichtstbijzijnde trekkershut.
  • Vriezekoop noord 4b. Afstand woning tot plangebied: circa 90 meter tot erfgrens en circa 105 meter tot dichtstbijzijnde trekkershut met tussenkomst watergang en weg.
  • Vriezekoop 11e. Afstand tot plangebied: minimaal 10 meter tot dichtstbijzijnde trekkershut.
Voornamelijk wordt verwezen naar de natuurwaarden in het gebied, aantasting hiervan zou waardevermindering betekenen voor percelen van de buren. Er is voor het plangebied een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of gebieden.
Ook geeft men in de zienswijzen aan dat men verwacht dat een camping of grote recreatieve activiteiten op het perceel worden ontplooid. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat er maximaal 4 trekkershutten (verblijfsrecreatieve onderkomens) zijn toegestaan met elk een maximale omvang van 36 m². Hiermee is uitgesloten dat tenten en caravans zijn toegestaan. Ook is hiermee uitgesloten dat een camping of andere grote recreatieve activiteiten plaats kunnen vinden. 
      
Procedure
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.2 Overleg en inspraak
Ter voldoening van het bepaalde in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan diverse instanties. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van Hoogheemraadschap van Rijnland d.d. 5 juli 2017 is een tekstvoorstel in paragraaf 4.6.2 opgenomen met betrekking tot de ligging van het plangebied binnen de zones van de regionale waterkering.  
  
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 29 juni 2017 tot en met woensdag 9 augustus 2017 gedurende 6 weken ter inzage gelegen in het gemeentehuis van de gemeente Kaag en Braassem, Westeinde 1 in Roelofarendsveen en op www.ruimtelijkeplannen.nl. In deze periode zijn in totaal 10 zienswijzen ontvangen, waarvan één buiten de termijn.  In een separate bijlage zijn de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan opgenomen en voorzien van een gemeentelijke reactie. De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassingen in het plan.