Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Westerdijk 41
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1884.BPWESTERDIJK412011-VAS1

Artikel 6 Water

6.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. sloten, watergangen en wateroppervlakten;
  2. waterberging;
  3. keerwanden/ beschoeiingen en steigers;
Met de daarbij behorende:
  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde (waaronder bruggen, stuwen, dammen en/of duikers).

6.2 Bouwregels

6.2.1 Gebouwen

op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

op of in de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de waterhuishouding worden gebouwd, alsmede bruggen, duikers en keerwanden met een maximale bouwhoogte van 7 m.

6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.3.1 Verboden van uitvoeren van andere werken

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag op de in artikel 6 lid 1 bedoelde gronden de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het dempen, graven, afdammen, vergroten of herprofileren van sloten of ander oppervlaktewater;
  2. het verwijderen van opgaande beplanting, vellen/rooien van houtopstanden/ bomen;
  3. het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verbandhoudende constructies, installaties of apparatuur;
  4. de aanleg van oeverbeschoeiingen;

6.3.2 Uizonderingen

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6 lid 3.1  is niet vereist voor;
  1. het normale onderhoud, gebruik en beheer ten dienste van de bestemming;
  2. werken of werkzaamheden ten behoeve van de realisering van bestemmingen en bouwmogelijkheden op grond van planwijziging of afwijken.
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  4. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

6.3.3 Toelaatbaarheid

 De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 6 lid 3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:
  1. de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;
  2. het waterhuishoudkundig belang (kwantitatief en kwantitatief), met het oog op de waterhuishoudkundige doelstellingen, niet wordt geschaad.

6.3.4 Adviesprocedure

Een verzoek om een omgevingsvergunning wordt ter toetsing voorgelegd:
  1. aan de natuur- landschapsdeskundige omtrent de vraag of in voldoende mate is aangetoond dat de betrokken waarden niet onevenredig worden geschaad en/of;
  2. aan het Hoogheemraadschap van Rijnland omtrent de vraag of in voldoende mate is aangetoond dat de betrokken belangen niet onevenredig wordne geschaad.