Type plan: omgevingsvergunning
Naam van het plan: Koppoellaan 13a
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1884.OVKoppoellaan13a-VAS1

Toelichting

1 Inleiding
Initiatiefnemer heeft voornemens om naast de huidige woning een nieuw
woonhuis te bouwen.
Het huidige perceel biedt voldoende ruimte voor een 2e woning. Bovendien
hebben er in het verleden ook 2 woningen gestaan (Koppoellaan nr. 13 en 14,
nr. 14 ontbreekt in de huidige situatie).
1.1 aanleiding voor de planologische afwijking
Het bouwplan is in strijd met de bepalingen van het geldende bestemmingsplan Rijpwetering (inwerkingtreding vanaf 9 januari 2007). Het perceel heeft de bestemming Centrumdoeleinden (C). In artikel 8 lid 4a van het bestemmingsplan is vast gelegd dat Het aantal woningen binnen een bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan het aantal op de kaart aangebrachte stippen binnen het desbetreffende bestemmingsvlak. Op het perceel in kwestie is slechts één stip aangegeven (voor het huidige woonhuis en niet voor de nieuw te bouwen woning).
Uitsnede bestemmingsplankaart met t.p.v. pijl de planlocatie
 
1.2 keuze planologische procedure
Voor wat betreft het afwijken van het bestemmingsplan is medewerking slechts mogelijk op basis van artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3 van de Wabo (een Uitgebreide Planologische Afwijking, een UPA genoemd).
1.3 wettelijke vereisten planologische afwijking
De aanvraag voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Bor.
1.4 (juridische) planbeschrijving
Het onderhavige bouwplan betreft;
  • de nieuwbouw van een woonhuis.
Kadaster gemeente Kaag en Braassem, sectie D, nummer 3105. Voor de locatie geldt het bestemmingsplan Rijpwetering (inwerkingtreding vanaf 9 januari 2007). Doordat het plan in strijd is met het bestemmingsplan wordt een uitgebreide procedure gevolgd.
1.5 leeswijzer Ruimtelijke Onderbouwing
Na de inleiding volgt in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie met daarna in hoofdstuk 3 meer over rijks- provinciaal en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 gaat in op de diverse milieu-aspecten en haalbaarheid met tot slot hoofdstuk 5 over de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
2 Het initiatief
2.1 Huidige situatie
Koppoellaan 13 beslaat een groot kavel met ook een “grote” reeds aanwezige woning. De woning is per voet / fiets of auto goed bereikbaar vanaf de Koppoellaan.
Nieuwe en bestaande situatie
2.2 Toekomstige situatie
Op het kavel zal een nieuwe “energie bijna 0” woning worden gerealiseerd, geschikt voor senioren. De nieuwe woning is per voet / fiets of auto goed bereikbaar vanaf de Koppoellaan. Op eigen terrein is voldoende plaats voor minimaal 2 parkeerplaatsen.
3 Beleidskader
3.1 Rijksbeleid
 
3.1.1 Nota Ruimte
Nota ruimte (2006): er worden vier algemene doelen geformuleerd: versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland, bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland, borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden en borging van de veiligheid. Meer specifiek voor steden en netwerken staan de volgende beleidsdoelen 5
centraal: ontwikkeling van nationale stedelijke netwerken en stedelijke centra, versterking van de economische kerngebieden, verbetering van de bereikbaarheid, verbetering van de leefbaarheid en sociaaleconomische positie van steden, bereikbare en toegankelijke recreatievoorzieningen in en rond de steden, behoud en versterking van de variatie tussen stad en land, afstemming van verstedelijking en economie met de waterhuishouding en waarborging van milieukwaliteit en veiligheid.
3.2 Provinciaal beleid
In het provinciaal beleid vormt met name de nota Regels voor Ruimte het relevante beleidskader. Desalniettemin zullen de provinciale visies en verordeningen de revue passeren.
3.2.1 Structuurvisie
De Provinciale Structuurvisie geeft een doorkijk naar 2040 en de visie voor 2020 met bijbehorende uitvoeringsstrategie. Er staat in hoe de provincie samen met haar partners wil omgaan met de beschikbare ruimte. Met de structuurvisie werkt de provincie aan een vitaal Zuid-Holland, met meer samenhang en verbinding tussen stad en land. Hierdoor is in Zuid-Holland goed wonen, werken en recreëren voor iedereen binnen handbereik. De planlocatie valt binnen de bebouwingscontour van de provincie Zuid-Holland. Daardoor is het plan niet in strijd met het provinciale beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid
 
3.3.1 Structuurvisie
De structuurvisie (MRSV) van de gemeente Kaag en Braassem geeft een overzicht van de ambitie die de gemeente heeft tot 2025. De MRSV maakt een onderscheid tussen groei- en groenkernen binnen de gemeente Kaag en Braassem. Rijpwetering is betiteld als groenkern. Voor de woningbouwopgave geeft de gemeente daarbij aan slechts kwalitatief uitbreiden van het aanbod te beogen. In dit geval kan sprake worden van een kwaliteitsverbetering door een fraaie invulling van het gat in het bebouwingslint. Het verzoek komt tegemoet aan het begrip “ontbrekende woningtype” door een “energie- (bijna) 0 en seniorenwoning te realiseren.
(citaat uit beoordeling principeverzoek)
3.3.2 Bestemmingsplan
Het bouwplan is in strijd met de bepalingen van het geldende bestemmingsplan Rijpwetering (inwerkingtreding vanaf 9 januari 2007). Het perceel heeft de bestemming Centrumdoeleinden (C). In artikel 8 lid 4a van het bestemmingsplan is vast gelegd dat het aantal woningen binnen een bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan het aantal op de kaart aangebrachte stippen binnen het desbetreffende bestemmingsvlak. Op het perceel in kwestie is slechts één stip aangegeven (voor het huidige woonhuis en niet voor de nieuw te bouwen woning). Daarom is het bouwplan strijdig met de aan het perceel toegekende bestemming. Het bestemmingsplan kent geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid die het bouwplan mogelijk maakt en het bouwplan kan ook niet middels een buitenplanse afwijking gerealiseerd worden.
4 Uitvoerbaarheid
4.1 Inleiding
Ten behoeve van een goede ruimtelijke onderbouwing zijn een aantal onderzoeken verricht, nl;
  • Archeologisch onderzoek
  • Bodemonderzoek
4.2 Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.)
Citaat omgevingsdienst;
In het Besluit m.e.r. is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een projectactiviteit nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Het gaat om een project dat genoemd is in bijlage D van het Besluit m.e.r. In dit geval wordt het plan wel genoemd in de bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. onder categorie D.11.2 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’. Gelet op de omvang van het plan (ruim onder de drempelwaarde) en de ligging van het plan verwachten wij geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het milieubelang wordt in ruimtelijke onderbouwing voldoende afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r. beoordeling is niet nodig.
4.3 Bedrijven en milieuzoneringen
Uit beoordeling principeverzoek (25 sept 2012 kenmerk V20120031 / 12.23502):
“Op Koppoellaan 12 is een constructiebedrijf gevestigd. In 2010 is voor het perceel Koppoellaan 12 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld en d.d. 8 augustus 2011 is een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 3 (half-)vrijstaande woningen op de plek van het huidige constructiebedrijf. De huidige bedrijfswoning wijzigt in een burgerwoning. De eigenaar bereidt op dit moment een aanvraag omgevingsvergunning voor en is voornemens de woningen na verkoop te bouwen. De realisatiedatum is op dit moment onbekend. Dit betekent dat de werkzaamheden van het constructiebedrijf onder overgangsrecht kunnen plaatsvinden.”
Overige milieuhinderlijke bedrijvigheid bevindt zich op ruime afstand van de locatie en zullen dan ook niet belemmerd worden door het plan.
4.4 Geluid
De Koppoellaan is sinds kort gewijzigd in een 30 km zone (in april / mei vind een herinrichting plaats), een akoestisch onderzoek is dus niet uitgevoerd.
 
Citaat omgevingsdienst;
Het oprichten van een woning is het oprichtingen van een geluidsgevoelig object. De gemeente heeft aangegeven dat het om een uitgebreide procedure gaat (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3° Wabo).
 
Toetsingskader
Wet geluidhinder
Voor een ruime afwijking op grond van de Wabo dient toetsing aan de Wet geluidhinder plaats te vinden voor wat betreft industrielawaai, railverkeerlawaai en wegverkeerslawaai.
 
goede ruimtelijke ordening
Het initiatief moet getoetst worden aan een goede ruimtelijke ordening en daarbij moet worden uitgegaan van de normering die voortvloeit uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. In beginsel is dat 50 dB(A) voor het LAr;LT en 70 dB(A) voor het LAmax
 
Bevindingen
Railverkeer
Het plangebied ligt niet binnen een onderzoekszone voor het railverkeer.
 
Industrielawaai
Op korte afstand ligt Constructiebedrijf Straathof B.V en de op te richten woning zal een maatgevende woning worden. Uit de ruimtelijke onderbouwing kan niet worden geconcludeerd dat dit geen probleem gaat opleveren voor het bedrijf. Wel kan worden geconcludeerd dat het bedrijf vervangen gaat worden door 3 woningen waardoor het oprichten van deze woning geen probleem hoeft op te leveren.
 
Wegverkeerslawaai
De Koppoelaan is een 30 kilometer weg waardoor deze weg geen onderzoekszone kent.
Goede ruimtelijke ordening
In de huidige bestemming is er een geluidsgevoelig object ter plaatse van het plangebied bestemd. Ook zijn er rondom het plangebied woningen bestemd. Er is daarom geen aanleidingen om te verwachten dat het woon en leefklimaat onvoldoende is. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
 
Conclusie
Geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling zodra Constructiebedrijf Straathof B.V zijn activiteiten staakt.
4.5 Externe veiligheid
De locatie ligt in het effectgebied van de A4, de afstand bedraagt nl. 1600 meter. Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 kilometer. De bouw van 1 woning heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals bereikbaarheid, capaciteit hulpverleningsdiensten of zelfredzaamheid. Verder zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen gelegen. Externe veiligheid is niet relevant voor dit plan.
4.6 Bodem
Voor de locatie is een verkennend bodemonderzoek gemaakt door van Dijk geo- en milieutechniek bv., kenmerk 151557, d.d. 20 november 2012.
De conclusie van dit onderzoek luid:
“Met betrekking tot de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse kan worden geconcludeerd dat er gezien de geringe mate aan verontreiniging milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige nieuwbouw.”
4.7 Luchtkwaliteit
Citaat omgevingsdienst;
“Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient wel afgewogen te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. In dit geval is getoetst aan de ambities voor luchtkwaliteit uit het regionaal beleidskader voor duurzame stedenbouw (RBDS). Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van het plan kunnen de concentraties uit de digitale monitoringstool, die behoort bij het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) worden gebruikt. Uit de monitoringstool blijkt dat de concentraties stikstofdioxide en fijn stof in de gemeente nergens hoger zijn dan 35 ìg/m3 (2011). Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog lager is. Hiermee wordt voldaan aan de extra ambities voor luchtkwaliteit uit het RBDS.
Toevoeging korte verwijzing naar de wet 15-03-2013;
In de Wet milieubeheer zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Titel 5.2 Wm ‘Luchtkwaliteitseisen’ wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. In de wet is, door middel van criteria, een onderscheid gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekenende mate leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij 3% van de grenswaarde (= 1,2 ìg/m3) voor stikstofdioxide en fijn stof. Per ontsluitingsweg worden minder dan 1500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Het betreft de realisatie van 1 woning. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor “niet betekenende mate” bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden.
 
Conclusie
Het plan voldoet aan de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteitseisen. Verder wordt voldaan aan de ambities uit het regionaal beleidskader duurzame stedenbouw. Hierdoor zijn er geen belemmeringen voor dit plan met betrekking tot de luchtkwaliteit.”
4.8 Flora en fauna
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
 
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: 
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is. 
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
De locatie bestaat uit grasveld met een enkele  boom en een watergang. De watergang zal verbreed worden en de bomen zullen behouden blijven. De nieuwbouw zal op het grasveld gerealiseerd worden. De negatieve effecten ten aanzien van mogelijk aanwezig beschermde soorten zijn daardoor verwaarloosbaar. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
4.8.1 Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur ((P)EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De (P)EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Het nieuw te bouwen woonhuis is gelegen binnen het nationale landschap ‘Groene Hart’. Gezien de geringe omvang van het plan en de ligging binnen het stedelijk gebied heeft de ligging in het Groene Hart geen invloed op het bouwplan.
4.8.2 Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dieren plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Tijdens de bouwwerkzaamheden van het woonhuis zal de zorgplicht ook daadwerkelijk nageleefd worden.
Het plan zal niet of nauwelijks negatieve effecten hebben op de aanwezig flora en fauna, doordat er op de locatie reeds gewoond wordt en doordat de nieuwbouw werkzaamheden zullen starten buiten het broedseizoen.
4.9 Archeologie
Met de wijziging van de Monumentenwet zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor de zorg voor het eigen archeologisch erfgoed. In artikel 38a van de Monumentenwet 1988 wordt de koppeling met de ruimtelijke ordening gemaakt, door te stellen dat gemeenten bij het opstellen ruimtelijke plannen
rekening dienen te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Dat betekent overigens niet dat gemeenten verplicht zijn om in ruimtelijke plannen altijd voorrang te geven aan de archeologie, maar wel dat ze het behoud van archeologische waarden zullen moeten afwegen tegen andere belangen. Dat houdt in dat de gemeente er te allen tijde voor moet zorgen
dat bij inrichtingsplannen en besluiten over bodemingrepen de archeologische belangen in kaart zijn gebracht en dat er in het afwegingsproces zorgvuldig mee wordt omgesprongen.
Voor het nieuwbouwplan is een verkennend archeologisch onderzoek verricht (zie bijlage).
Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied geen onverstoorde archeologische niveaus meer bevat, waardoor er naar verwachting geen intacte resten in het plangebied aanwezig zullen zijn. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt daarom geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren.
beleidskaart gemeentelijke archeologiebeleid (west) met t.p.v. pijl de planlocatie
4.10 Water
Nationaal beleid
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. 
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
 
Watertoets
De watertoets is als planologisch ‘instrument’ ingevoerd om vroegtijdig in een planproces middels overleg tussen initiatiefnemer en hoogheemraadschap nadelige effecten op het watersysteem zo veel mogelijk te beperken. Door middel van overleg in het begin van een planproces kunnen dure of gecompliceerde oplossingen voorkomen worden. Het hoogheemraadschap is daarom voorafgaand aan de formele procedure in het kader van de Wet ruimtelijke ordening geconsulteerd.
 
Beleid Hoogheemraadschap Rijnland
 
Waterbeheerplan 2010-2015
Voor de planperiode 2010-2015 zal het Waterbeheerplan (WBP) van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen Het nieuwe WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De drie hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Het Waterbeheerplan 2010-2015 van Rijnland is te vinden op de website: http://www.rijnland.net
 
Keur en Beleidsregels 2009 
Per 22 december 2009 is een nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels die in 2011 geactualiseerd zijn. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. Verder zijn aan deze Keur bepalingen toegevoegd over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem. De “Keur en Beleidsregels” maken het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor:
  • Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
  • Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Watervergunning op grond van de Keur. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Beleidsregels (voluit: Beleidsregels en Algemene Regels Inrichting Watersysteem 2011 Keur), die bij de Keur horen, is het beleid van Rijnland nader uitgewerkt. De Keur en Beleidsregels van Rijnland zijn te vinden op de website: www.rijnland.net
 
Riolering en afkoppelen 
Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:
  1. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
  2. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
  3. afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;
  4. huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringinrichting getransporteerd;
  5. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d:
  • zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt;
  • lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.
 
Zorgplicht en preventieve maatregelen voor Hemelwater
Voor de verwerking van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:
  • duurzaam bouwen;
  • het toepassen berm- of bodempassage;
  • toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;
  • het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
  • adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);
  • het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
  • de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;
  • het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of  - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.
 
Waterstaat - Waterkering.
Constructies in, op of nabij een waterkering vormen een potentieel gevaar voor de primaire functie van de waterkering. Niet alleen kan bebouwing het waterkerend vermogen negatief beïnvloeden, ook kan het toekomstige dijkverzwaring in de weg staan. Het waterkerend vermogen van een dijk wordt bepaald door de kruinhoogte, de fundering, alsmede de stabiliteit en de waterdichtheid van het beklede dijklichaam. De aanwezigheid van bebouwing kan de faalmechanismen en daarmee het waterkerend vermogen negatief beïnvloeden. Het hoogheemraadschap heeft daarom bouwactiviteiten in de waterkering in haar Keur in beginsel verboden. Indien activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met het belang van de kering (bijvoorbeeld bouwwerken, kabels en leidingen, verhardingen, beplanting, etc.) moet een keurvergunning aangevraagd worden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Omdat het waterkeringbelang niet het enige belang is en bouwwerken in sommige gevallen verenigbaar zijn met een veilige waterkering, kan het hoogheemraadschap via een vergunning ontheffing verlenen van dit verbod
 
Planspecifiek
Onderhavig plan voorziet in de aanleg van extra verharding t.o.v. de huidige situatie. De extra verharding voor onderhavig plan bedraagt circa 875 m². Dit is inclusief bebouwing, parkeerplaatsen en verharding. Het hoogheemraadschap van Rijnland rekent 15% van de toename van verharding moet gecompenseerd worden middels open water. Dit houdt een open wateroppervlak van 131 m² in.
 
Onderhavig plan voorziet in de verbreding van de sloot aan de zuidzijde van het plan. Het noodzakelijk wateroppervlak wordt kan hierin ruimschoots gecompenseerd worden. De realisatie van water is mogelijk gemaakt binnen de bestemming recreatie zodat de feitelijke uitwerking van de verbreding nog nader uitgedetailleerd kan worden. Tijdens de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal de definitieve watercompensatie aan het Hoogheemraadschap van Rijnland ter goedkeuring worden voorgelegd.  
Het hemelwaterafvoer zal zoveel mogelijk afgekoppeld worden. Het vuilwaterafvoer wordt aangesloten op de riolering.
4.10.1 Beleid
Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer wordt gevoerd door het Hoogheemraadschap van Rijnland. In bijlage 1 (hoofdstuk 7) is de tekstsjabloon over Rijnlands beleid opgenomen. Er zal t.z.t. een watervergunning voor de nieuwe woning aangevraagd worden bij het Hoogheemraadschap.
4.10.2 Watertoets in relatie tot ontwikkeling
In het geval van een grotere uitbreiding van het verhard oppervlak dan 500 m2 is er de verplichting tot het graven van een hoeveelheid oppervlaktewater die gelijk is aan 15% van de uitbreiding van de verharding. Er is sprake van een "kleine" uitbreiding die minder dan 500 m2 zal zijn, er zal dus geen water gegraven hoeven te worden.
4.10.3 Kenmerken watersysteem
Voor de nieuwe woning wordt gebruik gemaakt van een gescheiden systeem; hemelwater en vuil water worden gescheiden afgevoerd.
4.11 Verkeer en parkeren
De nieuwe woning zal ten opzichte van de bestaande situatie nauwelijks extra verkeersbewegingen opleveren. Het betreft één woning. Parkeren zal op eigen terrein plaatsvinden. Er is voldoende plaats voor minimaal 2 auto’s.
4.12 Duurzaamheid
Citaat omgevingsdienst;
Het duurzaamheidsbeleid van Kaag en Braassem is vastgelegd in de duurzaamheidsagenda. De Duurzaamheidsagenda 2011-2014 "Samenwerken en verbinden" is in december 2011 door het college vastgesteld. De Duurzaamheidsagenda geeft aan dat bij ruimtelijke ontwikkelingen aandacht besteed wordt aan duurzaamheid. Voor dit plan is daarbij het volgende van belang. Voor kleinere bouwprojecten (minder dan 10 woningen, utiliteitsbouw minder dan 3000 m2 BVO) informeert de gemeente initiatiefnemers over duurzaam bouwen via de Infobladen Milieuvriendelijk bouwen en verbouwen. De gemeente kan bij deze projecten onder meer een gratis licentie verstrekken voor het gebruik van het instrument 'GPR Gebouw'. Daarmee kan de initiatiefnemer onderzoeken welke duurzaamheidsambities gehaald worden. Er is zowel een infoblad voor particulieren (www.odwh.nl/particulieren/bouwen-verbouwen) als voor bedrijven (www.odwh.nl/bedrijven/duurzaam-ondernemen/duurzaam-bouwen).
 
Voor de grond-, weg-, en waterbouw kan voor kleine projecten gebruik gemaakt worden van de ambities die gelden voor middelgrote projecten. Dit is uitgewerkt in de Regionale DuBoPlus Richtlijn 2008 (http://www.odwh.nl/bedrijven/duurzaam-ondernemen/duurzaam-bouwen).
 
5 Overige aspecten
5.1 Stedenbouwkundige randvoorwaarden
Uit beoordeling principeverzoek (25 sept 2012 kenmerk V20120031 / 12.23502):
“Het perceel maakt onderdeel uit van het authentieke lint van Rijpwetering. Het lint kenmerkt zich door losse bouwvolumes op ruime kavels met een verspringende rooilijn. Ruimtelijk sluit het initiatief hier op aan. Ook aan de minimale afstandmaten uit de Nota Inbreidingslocaties wordt voldaan.”
5.2 Welstansd
Per 1 oktober 2010 is het nieuwe welstandsbeleid van kracht. Het plangebied ligt in een welstandsluw gebied, dit houdt in dat er geen beoordelingsaspecten uit het oogpunt van welstand gelden.
 
6 Uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 
 
Gezien bovenstaande bestaan er planologisch geen bezwaren om medewerking aan het bouwplan te verlenen door daarvoor een bestemmingsplanprocedure te doorlopen.
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Het plan wordt op rekening van een particulier gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van aanvrager. De kosten voor het volgen van de afwijkingsprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Het project wordt op verzoek van en gefinancierd uit eigen middelen van initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn er verder gene kosten aan de ontwikkeling verbonden. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan. De economische uitvoerbaarheid van dit project zal met het afsluiten van een anterieure overeenkomst worden aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
 
6.2.1 Inspraak
Op een procedure met uitgebreide planologische afwijking stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure op grond van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. Hierbij is er de mogelijkheid van zienswijzen voor een ieder (artikel 3.12 lid 5 Wabo).
 
De kennisgeving van het ontwerpbesluit en de mededeling van het definitieve besluit worden geplaatst in het plaatselijk huis-aan-huis blad het Witte Weekblad, de Staatscourant, de gemeentelijke website en langs elektronische weg op www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
6.2.2 Overleg
Er is vooroverleg geweest door de initiatiefnemers met omliggende buren. Tevens is het plan voorgelegd aan de besturen van betrokken instanties, waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
6.2.3 Zienswijzen
In deze paragraaf worden de eventueel ingediende reacties en / of zienswijzen op het ontwerpbesluit te zijner tijd opgenomen.