Type plan: uitwerkingsplan
Naam van het plan: Noorderhemweg 11- 15
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1884.UPNOORDERHEMWEG11-VAS1

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens een drietal woonkavels voor vrijstaande woningen te realiseren aan de Noorderhemweg in de kern Roelofarendsveen. Om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken, wordt gebruik gemaakt van de uitwerkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan 'Braassemerland' (2008).
 
De provincie Zuid-Holland heeft Braassemerland aangewezen als transformatiegebied. Het doel is om het gebied gefaseerd te transformeren van glastuinbouw naar wonen, groen, natuur en recreatie. Het bestemmingsplan 'Braassemerland' (2008) is de juridische verankering voor deze gebiedsontwikkeling. Het is een globaal bestemmingsplan met een uitwerkingsverplichting voor de te ontwikkelen woongebieden. De uitwerkingsverplichting is een veelgebruikt instrument om een bestemmingsplan de nodige flexibiliteit te geven. Hiernavolgende afbeelding toont een uitsnede van de plankaart van het bestemmingsplan 'Braassemerland' (2008):
 
Uitsnede plankaart bestemmingsplan 'Braassemerland' met globale aanduiding plangebied (witte omkadering)
 
Het voorliggende uitwerkingsplan valt binnen de bestemming 'Woongebied uit te werken 4'. De beoogde ontwikkeling van het gebied, genaamd Waterpark, gaat uit van een woongebied met veel groen, water en met vrijstaande en gekoppelde woningen in één tot twee lagen met kap in een relatief lage dichtheid.
 
Ondanks de ligging binnen het 'Woongebied uit te werken 4' is onderhavig plan als een op zichzelfstaande ontwikkeling te beschouwen. In ruimtelijke zin wordt aangesloten op het bestaande lint Noorderhemweg.
1.2 Juridisch kader uitwerkingsplan
De ontwikkeling is, zoals reeds vermeld, als uitwerkingsbevoegdheid opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Braassemerland' (2008). Alvorens daadwerkelijk gebouwd kan worden is het noodzakelijk een uitwerkingsplan op te stellen en door het college van burgemeester en wethouders vast te laten stellen. Voorbereidende werkzaamheden zoals het voorbelasten van de gronden is wel mogelijk zonder dat het uitwerkingsplan van kracht is.
 
Voor de betrokken gronden geldt de bestemming 'Woongebied uit te werken 4'. In het voorliggende uitwerkingsplan wordt het plan toegelicht en wordt gemotiveerd dat het plan voldoet aan de uitwerkingsregels zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Braassemerland' (2008). In aanvulling hierop is op 9 april 2013 het 'Procesdocument voor initiatieven binnen Braassemerland' vastgesteld door het college van b&w. Dit procesdocument is met name gericht op kleinschalige initiatieven.
 
Wat betreft het van toepassing zijnde nationale, provinciale en gemeentelijke beleid wordt een aanvulling gedaan op het beleid zoals opgenomen in het globale bestemmingsplan 'Braassemerland'. Voor de reeds uitgevoerde en beschreven milieuonderzoeken wordt wel gebruik gemaakt van de beschrijving in het bestemmingsplan Braassemerland. In dit uitwerkingsplan komen slechts de aanvullende onderzoeken en de vertaling van de reeds uitgevoerde onderzoeken naar onderhavig project aan de orde.
 
In artikel 5 'Beschrijving in hoofdlijnen' en artikel 22 'Woongebied uit te werken 4' zijn de regels gegeven voor de uitwerkingsbevoegdheid. Er mag op de gronden uitsluitend gebouwd worden overeenkomstig het gestelde in deze artikelen. Voorliggend uitwerkingsplan wordt opgesteld op basis van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening Wro en artikel 3.1.4 van het Besluit ruimtelijke ordening.
1.3 Leeswijzer
Dit hoofdstuk is de inleiding op het plan. Hoofdstuk 2 beschrijft het initiatief. Hoofdstuk 3 en 4 beschrijven de regels waar dit uitwerkingsplan aan moet voldoen en de procedure. In hoofdstuk 5 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. Er wordt voornamelijk verwezen naar de reeds uitgevoerde en beschreven milieuonderzoeken in het globale plan, bestemmingsplan Braassemerland. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tot slot beschrijft hoofdstuk 7 de maatschappelijke haalbaarheid van het plan waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
2 Het initiatief
2.1 Huidige situatie
De beoogde woningbouwlocatie is gelegen aan het tuinderslint Noorderhemweg, tussen 9 en 17 (oneven). Het plangebied ligt ten zuidoosten van het centrum van de kern Roelofarendsveen en ten westen van het Braassemermeer. Het plangebied heeft een omvang van ruim 2.100 m² en bestaat uit delen van langgerekte kavels en watergangen. De betreffende kavels zijn verwilderd, begroeid met grassen en bomen en deels in gebruik als moestuin.
Luchtfoto met globale ligging plangebied
 
Globale grenzen plangebied
     
Lint Noorderhemweg
De hoofdstructuur van Roelofarendsveen bestaat een uit aantal (historische) bebouwingslinten. Deze linten bepalen door de ligging, ruimtelijke opzet en historie voor een groot deel de identiteit van Roelofarendsveen. In de jaren vijftig zijn er vanaf het Westeinde richting het zuiden tevens enkele kleine tuinderslinten ontstaan, waaronder de Noorderhemweg, waar onderhavig plangebied aan ligt.
 
Hoewel de linten onderling verschillen in verschijningsvorm en opbouw hebben de linten wel gemeenschappelijk dat er sprake is van kleinschaligheid, diversiteit en verbondenheid met het achterliggende landschap. De kleinschaligheid komt met name tot uitdrukking in de fijnmazige verkaveling en bescheiden bouwvolumes, met name vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen, die bijna altijd zijn voorzien van een kap. De diversiteit komt voort uit de perceelsgewijze ontwikkeling door de jaren heen. Hierdoor komen verschillende bebouwingsvormen voor, zoals oude agrarische complexen, woonhuizen maar ook bedrijfsgebouwen. Daarnaast heeft de veranderende tijdsgeest ervoor gezorgd dat er verschillende architectuurstijlen in de bebouwingslinten aanwezig zijn.
 
Een andere belangrijke gemene deler van de bebouwingslinten is dat er een relatie bestaat met het achterliggende landschap. Dit uit zich bijvoorbeeld doordat bebouwing in de richting van het landschap staat, er doorzichten aanwezig zijn of dat ontwateringsloten, houtsingels of dijken dienst doen als erfgrens.
2.2 Beoogde ontwikkeling
Initiatiefnemer is voornemens een drietal woonkavels mogelijk te maken aan het lint Noorderhemweg. Het plangebied valt binnen het uit te werken 'Woongebied uit te werken 4' van het bestemmingsplan 'Braassemerland', in het deelgebied 'Waterpark'. Het maakt thans deel uit van het in ontwikkeling zijnde deelgebied 'Aan de Braassem', dat bestaat uit 11 fasen. Voorliggende percelen maken deel uit van deelfase 9, waarvan de verkavelingsopzet zal worden aangepast op het voorliggende initiatief.
 
De drie langwerpige woonkavels komen in oost-westelijke richting aan het lint te liggen, waarmee wordt aangesloten op de bestaande lintstructuur van de Noorderhemweg. Met de herinrichting van het plangebied zal een klein deel oppervlaktewater worden gedempt. Dit oppervlaktewater wordt aan de achterzijde op de perceelsgrens teruggebracht. Door het terugbrengen van water worden de drie kavels geheel omsloten door watergangen. Het karakter van woonkavels met watergangen die de perceelsgrenzen afbakenen blijft daarmee in tact. De nieuw te graven watergangen worden dieper uitgegraven dan in de bestaande situatie waarmee er in m³ meer water wordt teruggebracht en het water geschikt is om te kunnen varen.
 
Met het toevoegen van drie woningen wordt aangesloten op het beoogde karakter van deelgebied 'Waterpark'; ruim opgezet, veel water, met name vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen.
 
De beoogde kavels zijn reeds vastgelegd in het kadaster, zoals zichtbaar op navolgende afbeelding:
Kadastrale percelen sectie K 3833, 3835 en 3836 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
3 Uitwerkingsregels bestemmingsplan 'Braassemerland'
3.1 Beschrijving bestemmingsregeling
De gronden in het plangebied vallen binnen het planologische regime van het bestemmingsplan 'Braassemerland’, vastgesteld op 1 oktober 2008, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 9 juni 2009 en onherroepelijk geworden in 2011. De gronden hebben hierin de bestemming ‘Woongebied uit te werken 4 (artikel 22)’. In de voorschriften van het bestemmingsplan Braassemerland zijn in de 'Beschrijving in hoofdlijnen (artikel 5)' algemene uitgangspunten opgenomen voor het plangebied.
3.2 Toetsing artikel 5
In de regels van het bestemmingsplan 'Braassemerland' (2008) zijn in hoofdstuk 2 artikel 5 lid 2 algemene uitgangspunten opgenomen. Onderstaand is het artikel overgenomen aangevuld met de motivatie dat het uitwerkingsplan voldoet aan de voorschriften, dan wel is verklaard dat het voor onderhavig uitwerkingsplan geen relevant voorschrift betreft (in cursief).
  1. Het plangebied wordt getransformeerd van glastuinbouwgebied naar een woongebied met daarbij bestaand en nieuw water, groen en nieuwe recreatieve mogelijkheden en voorzieningen; motivatie: de beoogde ontwikkeling betreft een invulling met woningen en water.  De ontwikkeling is in overeenstemming met dit uitgangspunt.
  2. Het plangebied wordt mede ontwikkeld voor het gefaseerd realiseren van een woongebied van maximaal 2.250 woningen; motivatie: voorliggend uitwerkingsplan maakt 3 woningen mogelijk. Het stedenbouwkundig plan blijft binnen dit gestelde maximum. Er worden circa 1.785 woningen gerealiseerd.
  3. De huidige kavelstructuur en bestaande lintbebouwing wordt daarbij zoveel mogelijk intact gelaten. Het huidige centrum van Roelofarendsveen blijft behouden en wordt op bepaalde punten versterkt. Het voorzieningenniveau van het centrum wordt wel aangepast op de hoeveelheid inwoners in de toekomst. Het dorpse karakter moet behouden blijven; motivatie: in toelichting paragraaf 2.2 is verwoord dat de ontwikkeling aansluit op de bestaande kavelstructuur. Voorts bedreigt de ontwikkeling de bestaande centrumvoorzieningen niet. Het toevoegen van woningen zal leiden tot een groter draagvlak van de reeds bestaande voorzieningen. 
  4. Voor de ontwikkeling en het beheer van de gronden binnen het plangebied dient sprake te zijn van bebouwing die in ruimtelijk opzicht aansluit bij de bestaande omgeving; motivatie: er wordt uitgegaan van vrijstaande woningen met maximaal twee lagen en een kap: dit sluit aan bij de (bestaande) omgeving.
  5. Er dient rekening te worden gehouden met de archeologische waarden in het gebied; motivatieIn toelichting paragraaf 5.10.2 onder archeologie is gemotiveerd hoe aan dit uitgangspunt voldaan wordt.
  6. De huidige waterkwaliteit en waterkwantiteit inclusief structuur dient waar mogelijk gehandhaafd te blijven dan wel verbeterd te worden; motivatie: in toelichting paragraaf 5.8 is gemotiveerd hoe aan dit uitgangspunt voldaan wordt.
  7. Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met milieuaspecten, zoals bodemverontreiniging, geluidhinder van de A4, uitstoot van schadelijke stoffen van de A4. motivatie: in toelichting paragraaf 5.2,  toelichting paragraaf 5.3 en toelichting paragraaf 5.4 is gemotiveerd hoe specifiek met de aspecten bodem, geluid en luchtkwaliteit rekening is gehouden.
  8. In het plangebied wordt de recreatieve functie versterkt door middel van mogelijkheden voor waterrecreatie, het aanleggen van wandel- en fietsroutes; motivatie: de watergang achter de voorliggende kavels wordt uitgegraven zodat deze geschikt is als vaarroute. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het recreatieve karakter van het gebied.
  9. De oevers van het Braassemermeer blijven openbaar toegankelijk voor fietsers en wandelaars. Groene openbare routes van de nieuw te bouwen woonwijken naar de oevers van het meer moeten dienen als groene aders in het nieuw te ontwikkelen gebied; motivatie: voorliggend plan heeft geen betrekking op de oevers van het Braassemermeer. Daarnaast wordt, zoals ook onder sub h gemotiveerd, een bijdrage geleverd aan de doorvaarbaarheid van het gebied.
  10. Woningbouw is gevarieerd toepasbaar; er moet gekeken worden hoeveel woningen er bijkomen, in welke verhoudingen en met welke dichtheden gebouwd zal worden. Het type woning per deelgebied kan - net als de dichtheden - verschillen; motivatie: onderhavig plangebied valt binnen het deelgebied Waterpark, dat wordt gekenmerkt door vrijstaande woningen en ruimte. De beoogde ontwikkeling sluit hierop aan.
  11. Een realistische parkeernorm is noodzakelijk om de parkeerdruk niet verder toe te laten nemen, parkeren op eigen terrein bij woning is gewenst. Voor woningen wordt aangesloten bij de ASVV 2007 van het CROW. De parkeernorm als zodanig wordt bij de uitwerking van alle 'Uit te werken gebieden' nader gedetailleerd; motivatie: in toelichting paragraaf 5.9 is gemotiveerd hoe omgegaan wordt met de aspecten verkeer en parkeren.
  12. De ontsluitingen worden gefaseerd aangelegd; motivatie: de beoogde ontwikkeling heeft plaats aan een reeds bestaande lint, welke dient ter ontsluiting. 
  13. De bestaande linten houden een belangrijke ontsluitingsfunctie voor de bestaande bebouwing, maar een nieuwe ontsluitingsweg is essentieel; motivatie: voor de ontsluiting van het onderhavige initiatief wordt gebruik gemaakt van een bestaand lint. 
  14. Een toename van inwoners vergt meerdere nieuwe voorzieningen. In het plangebied zullen de voorzieningen op een hoger niveau moeten worden gebracht, wat inhoudt dat in het plangebied onder meer scholen, recreatieve voorzieningen en speelplaatsen mogelijk worden gemaakt. motivatie: de voorzieningen zijn in de bestaande kern aanwezig en worden uitgebreid naar aanleiding van de nieuwbouwontwikkelingen binnen Braassemerland.
  15. Het plan dient een bijdrage te leveren aan natuurontwikkeling (oevers, bermen, materiaalgebruik) hetgeen leidt tot een toename van het areaal groene, waterrijke natuur; motivatie: in onderhavig plan wordt de bestaande begroeide oever grotendeels gehandhaafd en aangevuld met een houten damwand en schottenbeschoeiing. Het karakter van een groene oever wordt daarmee behouden.
Naast de algemene uitgangspunten zijn in hoofdstuk 2 artikel 5 per uit te werken woongebied een set aan uitgangspunten opgenomen. In artikel 5 lid 8 gelden voor 'Woongebied uit te werken 4 (Waterpark)' de volgende uitgangspunten:
  1. Waterpark bestaat uit een woongebied met vrijstaande en gekoppelde woningen met één tot twee lagen met kap. Motivatie: de beoogde ontwikkeling betreft een ontwikkeling met drie nieuwe vrijstaande woningen. Voor deze woningen is een goot- en bouwhoogte opgenomen van resp. 6 en 10 m. Daarmee wordt gestuurd op een opbouw van twee lagen met een kap.
  2. Deelgebied Waterpark ligt tussen de Noorderhemweg en het Braassemermeer. Dit van oudsher zeer waterrijke gebied wordt ingericht als bijzonder woongebied met relatief grote tot zeer grote kavels en een lage bebouwingsdichtheid. Motivatie: onderhavig plan maakt een drietal bouwkavels mogelijk voor vrijstaande woningen aan het water, waarmee wordt aangesloten op het inrichtingsbeeld voor deelgebied Waterpark.
  3. Verschillende wandelpaden door het gebied zorgen voor goede recreatieve routes richting het Braassemermeer. Deze paden lopen via openbaar toegankelijke eilanden en oevers, met elkaar verbonden door kleine bruggetjes. Motivatie: onderhavig uitwerkingsplan maakt 3 woonkavels mogelijk en beslaat geen openbaar gebied met potentiële wandelroutes.
  4. De betonbrug van de Noorderhemweg fungeert als een recreatieve fietsroute en krijgt over korte afstanden alleen bestemmingsverkeer naar de bestaande woningen te verwerken. Datzelfde geldt voor de Galgekade langs het Braassemermeer. Op deze manier kan krijgt het Waterpark niet alleen een woonfunctie, maar ook een recreatieve functie voor alle inwoners van Roelofarendsveen. Motivatie: de beoogde ontwikkeling heeft plaats aan het lint Noorderhemweg. Zoals uiteengezet in toelichting paragraaf 5.9.1 leidt het toevoegen van een drietal woningen tot een verkeersgeneratie van circa 25 motorvoertuigen per etmaal. De verwachting is dat deze geringe toename aan motorvoertuigbewegingen over Noorderhemweg de aantrekkelijke fietsroute niet in betekende mate negatief zal beïnvloeden.
  5. Langs de zuidrand van het Waterpark wordt tegenover de bestaande jachthaven een evenemententerrein aangelegd. Het evenemententerrein heeft een uitloper in het Braassemermeer in de vorm van een pier. Het evenemententerrein kan tevens als parkeerterrein dienen. Motivatie: het plangebied ligt op circa 550 meter ten noorden van de jachthaven, waarmee evenementen of de jachthaven geenszins worden gehinderd in de bedrijfsvoering. Gezien de afstand zal het evenemententerrein tevens niet in negatieve zin effect hebben op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied. 
Conclusie
In bovenstaande paragraaf is aangegeven dat voorliggend uitwerkingsplan, voor zover de uitgangspunten relevant zijn, in voldoende mate aansluit op de uitgangspunten opgenomen in hoofdstuk 2 artikel 5. Er ontstaat geen strijdigheid met artikel 5 'beschrijving in hoofdlijnen' van het bestemmingsplan Braassemerland (2008).
3.3 Toetsing artikel 22
Binnen de bestemming 'Woongebied uit te werken 4' zijn (in het plangebied), zoals opgenomen in artikel 22.1, de volgende functies toegestaan: 
  1. wonen;
  2. woonwerkwoningen;
  3. zorgwoningen;
  4. drijvende woningen en woonboten;
  5. maatschappelijke voorzieningen;
  6. recreatieve voorzieningen;
  7. evenemententerrein;
  8. beroepsmatige activiteiten;
  9. (hoofd-)ontsluitingswegen en toegangswegen in ieder geval ter plaatse van de indicatieve profielen op de plankaart;
  10. voet- en fietspaden;
  11. parkeervoorzieningen;
  12. groen, water en bijbehorende voorzieningen;
  13. speel- en sportvoorzieningen en kunstwerken;
  14. voorzieningen van openbaar nut;
  15. waterkeringen.
De beoogde ontwikkeling van drie wooneenheden past binnen voorgaande functies. Navolgend zijn de uitwerkingsregels uit artikel 22 lid 9 overgenomen en aangevuld met een motivatie waaruit blijkt dat het uitwerkingsplan voldoet aan de regels, dan wel is verklaard dat het voor onderhavig uitwerkingsplan geen relevante regel betreft. 
  1. Wat betreft de stedenbouwkundige opzet wordt het plan uitgewerkt in samenhang met de stedenbouwkundige structuur in de bestaande, reeds uitgewerkte of nog uit te werken aangrenzende gebieden; motivatie: de beoogde woonkavels zijn in oost-westelijke richting aan het lint gesitueerd. Qua maat en schaal sluiten de kavels aan op het karakter van het lint.
  2. Bij de uitwerking van de stedenbouwkundige opzet wordt aangesloten bij het bepaalde in de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 5; motivatie: zie toelichting paragraaf 3.2 
  3. Op de gronden zijn onder meer vrijstaande en twee- ondereen -kapwoningen toegestaan; motivatie: voorliggende ontwikkeling maakt de realisatie van 3 vrijstaande woningen planologisch mogelijk. Deze woningtypologie is passend binnen het gewenste bebouwingsbeeld.
  4. De op de plankaart opgenomen goothoogte mag niet overschreden worden; motivatie: op de plankaart van het bestemmingsplan 'Braassemerland' is een maximum goothoogte van 6 m opgenomen. Deze maat is overgenomen in het voorliggende uitwerkingsplan.
  5. De nokhoogten worden bepaald bij uitwerking van onderhavig gebied; motivatie: voorliggend uitwerkingsplan maakt een maximale bouwhoogte van 10 meter mogelijk, waarmee wordt aangesloten op gangbare maatvoering in het gebied. 
  6. De woningdichtheid bedraagt maximaal het op de plankaart aangegeven aantal woningen per hectare; motivatie: op de schaal van het gehele 'Woongebied uit te werken 4' wordt voldaan aan het maximale aantal woningen per hectare.
  7. De ontsluitingswegen, woonstraten en de inrichting van het openbaar gebied worden afgestemd op de omgeving; motivatie: het plangebied wordt geheel in private sfeer ontwikkeld. De gronden blijven privaat eigendom. Er wordt derhalve niet in openbaar gebied voorzien.
  8. Met betrekking tot de indeling van de wegen en de situering van de bebouwing gelden zoveel mogelijk de indicatief op de plankaart opgenomen dwarsprofielen; motivatie: de op de plankaart opgenomen dwarsprofielen hebben betrekking op hoofdontsluitingswegen. De drie beoogde woningen worden niet ontsloten middels een hoofdonsluitingsweg. Derhalve is het opgenomen dwarsprofiel niet van toepassing voor het plangebied.
  9. Voorafgaand aan de uitwerking van een deelgebied dient te worden aangetoond dat de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen de 48 dB niet overschrijdt, dan wel een hogere waarde als bedoeld in de Wet geluidhinder is vastgesteld. motivatie: in hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan wegverkeerslawaai. Daaruit volgt dat het aspect wegverkeerslawaai de beoogde ontwikkeling niet belemmert.
Tevens is in artikel 22, lid 10 bepaald dat inzicht bestaat in de gewenste verkaveling en dat een aanvaardbare milieuhygiënische situatie is gewaarborgd. Motivatie: in toelichting paragraaf 2.2 en in toelichting hoofdstuk 5 wordt nader op deze onderdelen ingegaan.
 
Conclusie
Uit voorgaande motivaties blijkt dat het uitwerkingsplan voldoet aan de uitwerkingsregels gesteld in artikel 22 lid 9 en lid 10 van het vigerend bestemmingsplan 'Braassemerland' (2008).
3.4 Procesdocument voor initiatieven binnen Braassemereland
Het op 13 april 2013 door het college vastgestelde Procesdocument beschrijft het proces en geeft een afwegingskader voor initiatieven binnen het uit te werken woongebied. Het document wordt gebruikt om te komen tot een collegebesluit, waarbij input nodig is van zowel de Gemeenschappelijke Exploitatie Maatschappij (GEM), als de Gemeente Kaag en Braassem. Het voorliggende initiatief valt binnen het exploitatiegebied van de GEM, waarbij bepaald is dat A. Kleinschalige aanbouwen/bijgebouwen en B. Sloop/nieuwbouw van woningen aan de orde zijn. Die onderdelen zijn in dit stadium niet relevant voor het onderhavige initiatief; het maakt vooral toekomstige aanpassingen aan de woningen mogelijk. 
 
De bepalingen omtrent onderdeel C. Toevoegen van woningen of andere functies zijn in beginsel hier niet van toepassing, omdat het betrekking heeft op gebieden buiten het exploitatiegebied van de GEM en daarvan is hier geen sprake. Onderdeel C ziet toe op het toevoegen van woningen of andere functies, waar terughoudend mee wordt omgegaan. Op initiatieven tot het toevoegen van woningbouw binnen het exploitatiegebied van de GEM wordt per definitie negatief geadviseerd. Voorts dient ruimtelijk aansluiting gezocht te worden bij de Nota inbreidingslocaties (NIBL) en het Beeldambitiedocument Braassemerland (2016). Bovendien zal e.e.a. worden besproken met het Ruimtelijke Kwaliteitsteam van Team Ontwikkeling.
3.5 Beeldambitiedocument 'Aan de Braassem'
In het Beeldambitiedocument 'Aan de Braassem'(d.d. 28 juni 2016), dient als inspiratie en handboek bij de verdere architectonische uitwerking van de woonmilieus. Voor wat betreft het onderhavige plangebied kan aangesloten worden bij de uitgangspunten voor het deelgebied 'Waterpark'. Hierover is beschreven, dat de individuele eilanden de kans bieden om woningen met een geheel eigen uitstraling en diverse architectuur te maken. Materialen die worden toegepast zijn steen, hout, glas en daken met pannen, riet of zink.
Voor wat betreft de openbare ruimte geldt dat het water prominent aanwezig is en het leidend onderwerp vormt voor de opzet van de wijk.
 
Conclusie
Het onderhavige initiatief past in het stramien van het deelgebied 'Waterpark' en zal daarin nog worden opgenomen. Bij de verdere (architectonische) uitwerkingen zal aangesloten worden bij hetgeen in het Beeldambitiedocument is opgenomen.
  
4 Procedure
In het bestemmingsplan Braassemerland zijn procedureregels opgenomen. Bij het toepassen van de verplichting tot uitwerken gelden de volgende bepalingen:
  • Op de voorbereiding van het besluit is de procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing;
  • Het ontwerp besluit ligt gedurende zes weken voor een ieder ter inzage.
5 Haalbaarheid van het uitwerkingsplan
In dit hoofdstuk zal, het kader van een goede ruimtelijke ordening, worden aangetoond dat de nieuwe ontwikkeling past binnen de uitwerkingsregels van het globale bestemmingsplan en past binnen de geldende milieuwetgeving. Hiermee wordt aangetoond dat onderhavig project uitgaat van een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is.
5.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Het uitwerkingsplan bevat een activiteit die genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D.11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen', (drempelwaarde: een aangesloten gebied dat 2.000 woningen of meer omvat) van het Besluit milieueffectrapportage. Daarmee valt voorliggend plan onder sub c: het plan wordt wel genoemd maar voldoet niet een de drempelwaarde. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
 
De milieueffecten van Braassemerland als geheel zijn reeds in beeld gebracht in het kader van het bestemmingsplan Braassemerland. Dit uitwerkingsplan betreft een verdere uitwerking van het bestemmingsplan waarvoor de gemeenteraad op 11 december 2006 de bijbehorende 'MER woningbouwlocatie Braassemerland' heeft aanvaard. De effecten voor het milieu zijn dan ook al in een eerder stadium gewogen.  
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Op basis van de beschikbare documenten en hoofdstuk 5 van voorliggend uitwerkingsplan is het voor Omgevingsdienst West-Holland mogelijk om een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen.
5.2 Bodem
In het kader van de planologische procedure dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater van het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels een bodemonderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Een bodemonderzoek is gericht op bodembedreigende stoffen. Hiervoor dient er eerst naar de huidige functie van het plangebied te worden gekeken. Het bodemonderzoek moet namelijk de bodemkwaliteit vaststellen alvorens er activiteiten en werkzaamheden plaatsvinden in het kader van de beoogde ontwikkeling.
  
Planspecifiek 
In het kader van beoogde ontwikkeling is er een Bodem- en waterbodemonderzoek uitgevoerd (Aveco de Bondt, d.d. 25 januari 2019, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1.):
 
Zintuiglijke waarnemingen
In zowel de boorprofielen van de landbodem als de boorprofielen van de waterbodem zijn geen zintuiglijke waarnemingen gedaan welke betrekking hebben op de verwachte milieuhygiënische kwaliteit. Op het maaiveld is een stukje asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Dit stukje was aanwezig in gerijpte baggerspecie welke in het verleden uit de omliggende sloten op het maaiveld verspreid is. Op een deel van het terrein is recent zintuiglijk schoon zand aangebracht.
 
Bodem
Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat in de dat in de bovengrond lichte verontreinigingen aan kwik, lood , zink, hexachloorbenzeen en Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) zijn aangetroffen. Het betreft slechts lichte overschrijdingen, er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.
Op een deel van het perceel is recent een laag zintuiglijk schoon zand aangebracht. Van deze zandlaag zijn geen monsters genomen.
 
Waterbodem
Uit het uitgevoerde waterbodemonderzoek blijkt dat de waterbodem ter plaatse van de onderzoekslocatie lichte verontreinigingen aan Cadmium, Kwik, Lood, Molybdeen, som-PAK, alfa-Endosulfan en Minerale olie bevat. De waterbodem wordt beoordeeld als Klasse A en Klasse B. De sliblaag is deels verspreidbaar op aangrenzende percelen. Een betreffende onderlaag is niet verspreidbaar op aangrenzende percelen.
 
Asbest
In de sliblaag is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. Hoewel het asbestverdachte materiaal op maaiveld niet geanalyseerd is en derhalve niet beoordeeld kan worden of het daadwerkelijk asbesthoudend is kan ons inziens, op basis van het vooronderzoek, de veldwaarnemingen en de analyseresultaten van de watergang, de locatie als onverdacht worden beschouwd voor de aanwezigheid van asbest.
 
Grondwater
In het ondiepe grondwater zijn, met uitzondering van barium, geen verontreinigingen aangetroffen. Barium overschrijdt de streefwaarde. Deze verhoging is hoogstwaarschijnlijk toe te schrijven aan een van nature licht verhoogde achtergrondgehalte. Er is geen reden om nader onderzoek uit te voeren.
 
Resumé
Samenvattend kan gesteld worden, dat, gezien de vastgestelde bodemkwaliteit, er geen risico's zijn voor de volksgezondheid en/of het milieu. Voor geen van de gemeten stoffen wordt de interventiewaarde overschreden. Gezien de vastgestelde bodemkwaliteit zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Voor geen van de gemeten stoffen wordt de interventiewaarde overschreden.
 
Gegeven de in dit rapport beschreven onderzoeksresultaten, wordt de grond vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het huidige gebruik en de voorgenomen nieuwbouw. Indien er in de toekomst bij eventuele grondwerkzaamheden grond afkomstig (uit de bovenlaag) van het terreindeel vrijkomt, wordt geadviseerd deze grond binnen de begrenzing van het perceel te verwerken.
 
Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling van woningen voor wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar is. 
5.3 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarde is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB.
 
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen aan de Noorderhemweg. Andere wegen bevinden zich op enige afstand van het plangebied of er geldt een snelheidsregime van 30 km/u.
 
In het gemeentelijke Verkeerstructuurplan wordt uitgegaan van de invoering van een 30 km/uur regime voor de Noorderhemweg. Vanuit dit regime geldt voor deze weg geen onderzoeksverplichting op basis van de Wet Geluidhinder. Uitgaande van het nieuwe snelheidsregime is nader onderzoek dus niet noodzakelijk. Desalniettemin dient er sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat.
 
De Noorderhemweg betreft een doodlopende weg. De weg leidt naar de jachthaven Noorderhem. Enkel in het hoogseizoen, met name in de weekenden, zal er sprake zijn van een verhoogd aantal motorvoertuigbewegingen. De verwachting is dat het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal de 1.000 niet zal overschrijden. Daarmee is vanuit jurisprudentie gebleken dat gesproken kan worden over een goed woon- en leefklimaat.
 
Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor het voorliggende initiatief.
5.4 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Planspecifiek
In het kader van het bestemmingsplan Braassemerland is voor de ontwikkeling van het gehele plangebied beoordeeld of voldaan wordt aan de Wet luchtkwaliteit. Op grond van de Wet milieubeheer artikel 5.16 lid 2 hoeft bij een procedure conform artikel 3.6 Wro (uitwerkingsplan) niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet echter wel worden afgewogen of het aanvaardbaar is om de ontwikkeling in het plangebied te realiseren.
 
De voorgenomen ontwikkeling betreft enkel het planologisch mogelijk maken van een drietal wooneenheden. Het project is aan te merken als een project van ”niet in betekenende mate”. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Desalniettemin is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Uit de achtergrondconcentraties over 2015 van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide over 2015 (NO2) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie ruim voldoende is.
 
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
5.5 Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint Noorderhemweg en kan, gezien de huidige mix van functies (glastuinbouw en wonen) worden aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd.
 
Noorderhemweg 17
Direct ten zuiden van het plangebied is een glastuinbouwbedrijf aanwezig. Het betreft een glastuinbouwbedrijf (Categorie 2, SBI-2008: 011, 012, 013). Binnen gemengd gebied geldt een richtafstand van 10 meter. De afstand tussen de kassen en de dichtstbijzijnde kade van het plangebied bedraagt circa 13.5 meter, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Daarbij betreft het een relatief kleinschalig glastuinbouwbedrijf, dat op korte termijn haar activiteiten zal staken, in verband met de verdere ontwikkeling van Braassemerland Waterpark Zo is het betreffende perceel in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan Braassemerland 2019 voorzien van een woonbestemming.
Zo lang er glastuinbouwactiviteiten op het aangrenzende deel van het perceel Noorderhemweg 17 plaatsvinden, kan gesteld worden dat een glastuinbouwbedrijf onder het Activiteitenbesluit milieubeheer valt en dient te voldoen aan de geluidseisen genoemd in dit Besluit (artikel 2.17 lid 5 van het Activiteitenbesluit). In tabel 2.17e en 2.17f van het Activiteitenbesluit zijn toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en maximale geluidniveaus opgenomen waar inrichtingen met agrarische activiteiten aan moeten voldoen. Laden en lossen in de avond- en nachtperiode is eveneens gereguleerd via milieuwetgeving. Tezamen met de ligging binnen de grenzen van het woningbouwproject Braassemerland en de ligging in bestaand stedelijk gebied, wordt ook in dat geval geen onevenredige hinder verwacht op de kwaliteit van het woon- en leefklimaat in het plangebied. De ontwikkeling is daarmee passend in de omgeving.
 
Noorderhemweg 5
Ter plaatse is tevens een glastuinbouwbedrijf gelegen, op circa 70 meter van het plangebied. Hiervoor geldt dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstand, hinder of belemmering is onwaarschijnlijk. Daarbij zijn direct achter het betreffende bedrijf, op zeer korte afstand tot het bedrijf, reeds woningen gerealiseerd. Ook hiervoor geldt tevens dat het bedrijf op termijn zal verdwijnen in verband met de ligging binnen het plan Braassemerland. Het betreffende perceel is in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan Braassemerland 2019 dan ook reeds voorzien van een woonbestemming.
 
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
5.6 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
  
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
 
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
 
Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
 
Planspecifiek
Ten behoeve van onderhavig plan is de risicokaart van de provincie Zuid-Holland geraadpleegd. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart weergegeven:
Uitsnede risicokaart Zuid-Holland met globale begrenzing plangebied (zwarte omkadering) 
 
Het plangebied ligt op circa 1.350 m van de A4, deze rijksweg is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Daarmee is het plangebied in het effectgebied (1 % letaliteit) van de A4 gesitueerd. Vanwege het transport van toxische stoffen van klasse LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 km. Voor de bestemmingsplannen 'Floraweg en Geestweg', 'Sotaweg 134 - 150' en 'Bedrijventerreinen A4' heeft de Omgevingsdienst risicoberekeningen voor de A4 uitgevoerd. Het groepsrisico van de A4 in de omgeving van Roelofarendsveen en Oude Wetering ligt onder de oriëntatiewaarde. De beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico beperkt verhogen, de oriëntatiewaarde zal echter niet worden overschreden. De verantwoording hiertoe is reeds in het geldende bestemmingsplan 'Braassemerland' gegeven.
 
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
5.7 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is tot en met 31 december 2016 de Flora- en faunawet van toepassing. Per 1 januari 2017 is de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten.
 
Planspecifiek
Er is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de beschermde flora en fauna op het perceel (Blom Ecologie, d.d. 14 augustus 2018, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Hierin wordt geconstateerd dat in het plangebied of de directe omgeving daarvan beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor komen. De planlocatie heeft echter aannemelijk geen essentiële functie voor beschermde soorten, behoudens mogelijk platte schijfhoren, waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
De aanwezigheid van platte schijfhoren kan niet uitgesloten worden. De Omgevingsdienst West-Holland heeft in haar advies van 15 november 2018 te kennen gegeven dat, wanneer de sloot wordt gedempt, het leefgebied van de platte schijfhoren wordt vernietigd. Dat vormt een overtreding van de Wet natuurbescherming en hiervoor dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de Omgevingsdienst Haaglanden. Hiertoe zal in de zomerperiode aan nader onderzoek worden uitgevoerd; dat wordt dan meegenomen in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Mogelijk bevolkt de rugstreeppad de planlocatie gedurende de ontwikkeling. Het is aannemelijk dat vleermuizen op en rondom de planlocatie foerageren en/of incidenteel passeren. Voor zowel platte schijfhoren, rugstreeppad als vleermuizen dienen er maatregelen getroffen te worden.
De planlocatie en het omliggende terrein heeft (mogelijk) een functie voor algemeen voorkomende planten, zoogdieren, amfibieën, insecten en vogels. De bomen, oevers en struiken op de planlocatie zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, weidevogelgebied, strategische reservering natuur en het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt.
 
Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de werkzaamheden en toekomstige situatie niet leiden tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van platte schijfhoren, vleermuizen, rugstreeppad en algemene vissen, zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit).
 
Het voorliggende initiatief is, na het uitvoeren van de navolgende te treffen maatregelen, uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro), met dien verstande dat nog nader onderzoek naar de platte schijfhoren zal plaats vinden in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. 
5.7.1 Te treffen maatregelen
  • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).
  • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
  • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
  • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
  • De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera.
  • Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
  • Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). De nesten van de kauw dienen buiten het broedseizoen verwijderd te worden. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
5.8 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Europees en nationaal niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het WB21 worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlakte- en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning.
 
Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil het hoogheemraadschap dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
 
De taken en bevoegdheden van het hoogheemraadschap op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) zijn hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert het hoogheemraadschap rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheerplan werkt het hoogheemraadschap aan zijn ambities.
 
Keur en uitvoeringsregels
Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan handelingen in of nabij:
  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden.
Maar ook aan:
  • Het onttrekken en lozen van grondwater;
  • Het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.
 
Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
 
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. 
 
Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Planspecifiek
In het kader van het bestemmingsplan 'Braassemerland' heeft RoyalHaskoning een waterstructuurplan opgesteld. Het waterstructuurplan bevat de randvoorwaarden die verder wordt uitgewerkt in een (water)inrichtingsplan als onderdeel van de planvoorbereiding en de watervergunning waarin onder andere de ontheffing Rijnlands Keur wordt geregeld.
 
Het waterstructuurplan voorziet in het zoveel mogelijk handhaven van de huidige waterstructuur en de huidige waterpeilen. Ook de bestaande boezemkade (waterkering) blijft overal gehandhaafd. De voorgenomen plannen vormen geen groot risico voor de stabiliteit van de waterkering. Een wijziging peilbesluit is niet nodig. Conform Rijnlands Keur en beleidsregels moeten dempingen 100 % worden gecompenseerd en moet extra waterberging worden aangelegd bij een toename van verharding (groter dan 500 m²).
 
Inrichting watersysteem
Alle openbare oevers langs de hoofdwatergangen worden natuurvriendelijk ingericht. Daarbij is rekening gehouden met het voorkomen van de instabiliteit van de oevers en de te verwachten golfbelasting van de pleziervaart in het gebied. Deze profielen zijn toepasbaar op de oevers van het openbaar gebied. Langs privé-tuinen komt een beschoeiing van 40 cm hoog. Met het natuurvriendelijk inrichten van de openbare oevers wordt in vulling gegeven aan het realiseren van natuurvriendelijke oevers zoals bedoeld in het waterstructuurplan.
 
Ter plaatse van bebouwing en infrastructuur zullen percelen worden opgehoogd voor voldoende draagkracht en om (grond)wateroverlast te voorkomen. Door het toepassen van drainage wordt grondwateroverlast ter plaatse van bebouwing en wegen voorkomen.
 
In het plan zijn (volledige) overkluizingen van watergangen opgenomen, zoals bruggen, vlonders en aanmeervoorzieningen. Om de recreatie(vaart) in het gebied zoveel mogelijk te bevorderen wordt de aanleg van een duiker met dam zoveel mogelijk beperkt en worden bruggen aangelegd.
 
Riolering en afkoppelen
Overeenkomstig het rijksbeleid geeft het hoogheemraadschap de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:
  1. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
  2. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
  3. afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;
  4. huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd;
  5. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d:
    1. zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt;
    2. lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma.
 
Voor de riolering in het plangebied is uitgegaan van een gescheiden stelsel. Het vuilwater zal via een persleiding in de openbare weg afgevoerd naar de bestaande DWA (droogweerafvoer) riolering buiten het plangebied. Het hemelwater dat van verharde oppervlakken afstroomt, wordt via het oppervlaktewater geborgen en afgevoerd.
 
Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater
Voor de verwerking van hemelwater wijst het hoogheemraadschap op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven ‘end-of-pipe’ maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen door bijvoorbeeld:
  • duurzaam bouwen;
  • het toepassen berm- of bodempassage;
  • toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;
  • het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand- slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
  • adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);
  • het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
  • de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;
  • het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.
Door het verdwijnen van de (glas)tuinbouw zal de waterkwaliteit in het gebied verder verbeteren. Diffuse verontreinigingen van het oppervlaktewater door bouwmaterialen worden voorkomen door het maken van geschikte en duurzame materiaalkeuzes (niet oxydeer- en uitloogbaar). Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keuze - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke ‘end-of-pipe’ aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.
 
Werkzaamheden
De ontwikkeling heeft plaats aan het lint Noorderhemweg. Zoals zichtbaar in toelichting paragraaf 2.2 wordt een deel van een bestaande watergang gedempt en daarvoor wordt aan de achterzijde van de voorliggende percelen oppervlaktewater teruggebracht (zie onderstaande afbeelding). Daarbij wordt deze nieuwe watergang met een royale dieptemaat uitgevoerd, waarmee de totale hoeveelheid water toeneemt van 225 m³ naar 320 m³. Dat zorgt ook voor een goede bevaarbaarheid.
 
 
Te graven en te dempen watergangen (bron: Waterpas Civiel Adviesbureau)
 
De toename van het verhardingsoppervlak en de daardoor benodigde watercompensatie wordt meegenomen in de BergingsrekeningCourant die de gemeente Kaag en Braassem en het Hoogheemraadschap van Rijnland hebben afgesloten.
 
Voorts blijkt uit raadpleging van www.dewatertoets.nl dat er binnen het plangebied geen sprake is van primaire watergangen of beschermde waterkeringen. Bij de beoogde ontwikkeling dient daarnaast aangesloten te worden op de hierboven beschreven randvoorwaarden uit het waterstructuurplan. 
5.9 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
5.9.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling valt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Braassemerland', maar valt buiten het masterplan. Het plangebied wordt ontsloten via het bestaande lint Noorderhemweg. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de kengetallen uit publicatie 317 van het CROW (zie tabel).  
 
OntwikkelingCROW aansluitingVerkeersgeneratie per woningTotaal
3 vrijstaande woningenKoop vrijstaand8,224,6
 
Voor de drie woningen geldt een verkeersgeneratie van circa 25 motorvoertuigen per etmaal. De verwachting is het bestaande lint Noorderhemweg over genoeg capaciteit beschikt om de extra verkeersgeneratie op te vangen.
5.9.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.    
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
 
De gemeente Kaag en Braassem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de Nota parkeernormen (2018). Bovengenoemde CROW kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Voorts is een kaart met gebiedsindeling opgenomen. Onderhavig plangebied valt op deze kaart binnen de zone 'rest bebouwde kom'.
 
Planspecifiek
Conform de parkeernormen van de gemeente Kaag en Braassem is berekend hoeveel parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden (zie tabel).  
 
OntwikkelingCROW aansluitingParkeer cijfers per woningTotaal
3 Vrijstaande woningenKoop vrijstaand2,36,9
 
Voor het totale plangebied geldt dat er afgerond 7 parkeerplaatsen benodigd zijn. Gezien de ruime kavelopzet kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling kan voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Via een voorwaardelijke verplichting wordt veiliggesteld dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
   
5.10 Cultureel erfgoed
5.10.1 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
 
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Planspecifiek
De bodemstructuur, waterhuishouding en ontginningsgeschiedenis hebben in hoge mate de huidige inrichting van het plangebied bepaald. De ontginningsgeschiedenis kan vooral worden afgelezen aan het patroon van polders, hoogteverschillen, dijken en waterkopen, het grondgebruik en de bebouwingslinten. Het plangebied is thans een (glas)tuinbouwlandschap. In het geldende bestemmingsplan zijn enkele karakteristieken gegeven voor het plangebied. Dit betreft onder meer het slotenpatroon, het historische bebouwingslint en de gestrekte, oost-westgerichte verkaveling. De beoogde kavels betreffen tevens langgerekte kavels in oost-westelijke richting. Daarmee wordt eigenheid van het plangebied zoveel mogelijk behouden. De ontwikkeling sluit in maat en schaal goed aan op de omgeving. In het plangebied komen verder geen gebouwde monumenten voor.
5.10.2 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
 
Planspecifiek
In mei 2011 is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem vastgesteld. In het kader van een aantal bestemmingsplanprocedures en het voornemen tot vaststellen van een erfgoedverordening is het archeologiebeleid van de gemeente Kaag en Braassem geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie zijn de ondergrenzen herijkt en is de archeologische verwachting op bepaalde plaatsen in de gemeente aangepast. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 13 mei 2013 deze beleidsherziening vastgesteld.
 
Uitsnede uit de archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied (zwarte omkadering)
 
Het gemeentelijk archeologisch beleid geeft aan dat er een lage verwachtingskans is binnen het plangebied. Dat houdt in dat er geen onderzoeksplicht is ten aanzien van de betreffende ontwikkeling. Op het gebied van archeologie worden geen belemmeringen voor het project verwacht. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
6 Economische uitvoerbaarheid
Het ontwerpbestemmingsplan Braassemerland is vóór 1 juli 2008 ter inzage is gelegd zodat het oude recht van toepassing is. Dit blijkt uit artikel 9.1.4 Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening. Dat betekent dat er geen sprake is van een verplichting tot vaststelling van een exploitatieplan. Het kostenverhaal en de economische uitvoerbaarheid zijn verzekerd door het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente en Braassemerland VOF. De gemeente werkt samen met financieel draagkrachtige partijen die beschikken over de kennis en ervaring om het plangebied tot ontwikkeling en realisatie te brengen.   
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg en inspraak is reeds gevoerd op basis van het bestemmingsplan Braassemerland. In dit hoofdstuk worden alleen de resultaten van de tervisielegging beschreven. De zienswijzen en de beantwoording hiervan komen daarbij aan de orde.
7.1 Zienswijzen
Het ontwerpuitwerkingsplan heeft van donderdag 15 november t/m donderdag 27 december 2018 ter inzage gelegen. In die periode zijn geen zienswijzen binnengekomen.