Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: 'Suyderbon II' te Rijnsaterwoude
Status: ontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.1884.WPSUYDERBONII-ONT1

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding
De kern Rijnsaterwoude is opgebouwd uit twee verdichtingen langs een bebouwingslint. Tussen de twee verdichtingen ligt een nog open weide met de naam Suyderbon II. 
 
De initiatiefnemer heeft het plan opgevat 7 vrije kavels voor woningbouw te realiseren op de locatie Suyderbon II. In het vigerend bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden - Rijnsaterwoude' (2013) is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbinnen B&W de realisatie van woningen planologisch mogelijk kan maken. De wijzigingsbevoegdheid maakt maximaal 22 woningen mogelijk. Reeds is een wijzigingsplan vastgesteld dat een tweetal woningen mogelijk maakt op de open weide in het verlengde van de straat Suyderbon. Deze woningen zijn zo gepositioneerd dat de voorgenomen ontwikkeling (de resterende woningbouwmogelijkheid binnen de wijzigingsbevoegdheid) gerealiseerd kan worden.
 
1.2 Ligging plangebied
Het plangebied is direct ten zuiden van de straat Suyderbon te Rijnsaterwoude gesitueerd. Aan de noord- en zuidzijde wordt de begrenzing (deels) gevormd door de percelen aan de Suyderbon en Herenweg. Aan de zuidzijde vormen weide percelen ook een deel van de begrenzing. Aan de westzijde van het plangebied, in het verlengde van de straat Suyderbon, liggen de percelen waar twee woningen zullen worden gerealiseerd. Het Braassemermeer ligt achter deze woningen. 
 
Ligging plangebied (plangebied globaal begrensd)
 
1.3 Vigerend bestemmingsplan
Het wijzigingsplan maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude (2013)' dat is vastgesteld op 17 juni 2013. In het vigerend bestemmingsplan heeft de locatie de bestemming 'Agrarisch'. Voor het plangebied is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden met de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied 6' te wijzigen in de bestemmingen Wonen, Groen, Verkeer, Tuin en Water, onder voorwaarde dat:
  1. het aantal woningen mag ten hoogste 22 bedragen;
  2. de bouwhoogte van woningen maximaal 10 m bedraagt;
  3. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  4. voorzien van een goed woon- en leefklimaat;
  5. het plan voorziet in voldoende watercompensatie dan wel in hetzelfde peilgebied voldoende compensatie plaatsvindt en dit in overleg gebeurt met het hoogheemraadschap van Rijnland (watertoets);
  6. dat het wijzigingsplan milieutechnisch aanvaardbaar is;
  7. dat het wijzigingsplan economisch uitvoerbaar is;
  8. verhaal van gemeentelijke (plan-)kosten is zeker gesteld;
  9. dat het wijzigingsplan stedenbouwkundig inpasbaar is;
  10. dat het wijzigingsplan verkeerskundig inpasbaar is.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan (rode contour toont het wijzigingsgebied)
 
De  contouren van onderhavig wijzigingsplan sluiten aan op de contouren van het wijzigingsplan 'Suyderbon (twee woningen)' dat reeds is vastgesteld op 28 juni 2016 door het college van de gemeente Kaag en Braassem. Inmiddels is met onderhavige ontwikkeling een nieuwe verkeersstructuur vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan Suyderbon II dat onderdeel uitmaakt van dit wijzigingsplan. De nieuwe verkeersstructuur, waar de aanleg van enkele parkeerplaatsen en een groenstrook van uitmaken, is afgestemd met de eigenaren van de percelen Suyderbon 50 en Suyderbon 52. De betreffende percelen zullen op de nieuwe verkeersstructuur worden aangesloten. Daarmee maakt de verkeersbestemming uit het wijzigingsplan 'Suyderbon (twee woningen)' in de realisatiefase onderdeel uit van onderhavige ontwikkeling.
 
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid. Hoofdstuk 4 licht de haalbaarheid van het wijzigingsplan toe aan de hand van de wijzigingsbevoegdheid conform de geldende bestemmingsplanregels. In hoofdstuk 5 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en milieuwetgeving. Hoofdstuk 6 bevat de juridische beschrijving van het plan. Tot slot bevatten hoofdstuk 7 de economische en hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
 
Voorliggend wijzigingsplan voorziet naast de toelichting, tevens in planregels en een verbeelding.
 
2 Planbeschrijving
2.1 Huidige situatie
De planlocatie is direct gelegen achter het lint van de Herenweg ten zuiden van de oorspronkelijke kern van Rijnsaterwoude. Het betreft een voormalig agrarisch perceel tussen de woningbouw van Suyderbon I aan de noordzijde gelegen en een basisschool, kinderopvang en een sporthal aan de zuidzijde gelegen. Ten westen van de planlocatie is reeds een tweetal vrijstaande woningen gerealiseerd. Het Braassemermeer ligt achter deze woningen.
 
Het plangebied is circa 4.390 m² groot en bestaat momenteel uit weiland. Ten noorden en ten zuiden van het plangebied zijn watergangen gelegen.
 
2.2 Toekomstige situatie
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 7 woonkavels voor vrijstaande woningen binnen het wijzigingsgebied in de directe omgeving van de Suyderbon. In de eindsituatie kunnen maximaal 7 woningen worden gerealiseerd. De woningen worden elk van minimaal 2 parkeerplaatsen voorzien. In het openbaar gebied is ruimte voor parkeerplaatsen t.b.v. bezoekersparkeren. De woningen, en hiermee de volledige ontwikkeling van Suyderbon II, zullen via een ontsluitingsweg gelegen in het zuiden van het plangebied aangesloten worden op de noordwestelijk gelegen weg Suyderbon.
   
Situering
De hiernavolgende afbeelding geeft een impressie van de verkaveling van de woningen. 
 

Impressie stedenbouwkundig model Suyderbon II
 
In de verbeelding van dit wijzigingsplan komt deze impressie tot uiting door het opnemen van één bouwvlak binnen de woonbestemming waar maximaal 7 wooneenheden mogen worden gerealiseerd. Daarmee blijft er enige flexibiliteit over voor de uiteindelijke situering van de woningen.  
 
Beeldkwaliteitsplan
De kaders voor de ontwikkeling worden gevormd door de bouwregels uit het moederplan. Deze bouwregels worden gevormd door een bouwvlak, goothoogten, bouwhoogten en een metrage aan bijgebouwen wat buiten het bouwvlak kan worden gerealiseerd. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het wenselijk aansluiting te zoeken bij de karakteristieken van het omliggende gebied. Daartoe is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. In het beeldkwaliteitsplan Suyderbon II zijn voorwaarden meegegeven voor het programma, de typologie, situering, oriëntatie, ontsluiting en bouwmassa van de woningen. Ook worden er voorwaarden meegegeven over de vormgeving van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage bij de regels opgenomen. Daarmee is de beoogde situering en inrichting in zekere mate vastgelegd.  
 
Ontsluiting
Binnen het plangebied wordt een woonstraat aangelegd om de woningen te kunnen ontsluiten. De aan te leggen woonstraat is (tijdelijk) doodlopend en zal daarom voorzien in een keermogelijkheid voor vrachtverkeer. Bij eventuele herontwikkeling van het zuidoostelijk gelegen gebied zal de woonstraat in de toekomst een doorlopende straat kunnen worden, in aansluiting op de herontwikkeling.
 
In de vigerende LIOR is voor een doodlopende straat een minimale wegbreedte van 4,80 meter als norm opgenomen. De initiatiefnemer is met de gemeente overeengekomen een wegbreedte van 5,5 m te hanteren en 1,5 m voor het trottoir aan te houden.  
 
3 Beleidskader
In hoofdstuk 3 van het bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude (2013)' is reeds een beschrijving gegeven van het nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid dat op het gebied van toepassing is. De wijzigingsbevoegdheden uit het bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude (2013)' zijn reeds getoetst aan dit beleid. Wanneer aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan kan gesteld worden dat het wijzigingsplan in overeenstemming is met het beleid zoals beschreven in het bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude (2013)'.
 
Na vaststelling van het bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden-Rijnsaterwoude (2013)' heeft de provincie Zuid-Holland op 9 juli 2014 voor haar ruimtelijke visie de Visie Ruimte en Mobiliteit en de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. In dit hoofdstuk wordt op dit beleid nader ingegaan. Daarnaast wordt ook nog ingegaan op de Nota inbreidingslocaties, de Nota vereveningsfondsen en de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025 van de gemeente Kaag en Braassem.
 
3.1 Nationaal beleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'.
 
Planspecifiek
Doordat de beoogde ontwikkeling geen rijksverantwoordelijkheid omvat zijn er geen raakvlakken met de SVIR.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
 
Planspecifiek
Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
 
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
  1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  3. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Stedelijke ontwikkeling
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de toevoeging van 7 wooneenheden zoals mogelijk is via de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden - Rijnsaterwoude'. Daarmee is de ontwikkeling niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling.
 
Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
3.2 Provinciaal beleid
 
3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit
Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 14 december 2016 de actualisering 2016 van de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) vastgesteld. Op 19 januari 2018 is de geconsolideerde versie in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen.
 
De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:
  1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. De verschillende onderdelen zijn samengevat weergegeven op een kaart met de volgende vier kaartlagen:
  • laag van de ondergrond;
  • laag van de cultuur- en natuurlandschappen;
  • laag van de stedelijke occupatie;
  • laag van de beleving.
Planspecifiek
Voor het plangebied zijn de kaartlagen 'Laag van de ondergrond', 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen' en 'Laag van de stedelijke occupatie' van belang. Navolgend wordt op deze lagen nader ingegaan.
 
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'Laag van de ondergrond' en 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen'.
 
Fragment kaartlaag 'Laag van de ondergrond' en 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen'
 
Laag van de ondergrond 
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied in een veengebied ligt. De ondergrond (eerste laag) wordt gevormd door veen. Het veen kent een geringe draagkracht en is daarnaast zeer gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor behoud van het veen en zijn gericht op het beperken van de bodemdaling.
 
De voorgenomen ontwikkeling betreft een dermate kleinschalige ontwikkeling dat deze geen nadelige invloed zal hebben op het veengebied of zal zorgen voor extra bodemdaling.
  
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen 
Het plangebied ligt in een droogmakerij (klei). Droogmakerijen zijn ontstaan uit natuurlijke meren en uit verveningen. Ze hebben een duidelijke begrenzing door een ringdijk, ringvaart of oude hoge oeverlanden. Het landschap is visueel open (tenzij het is verstedelijkt), grootschalig en ligt gemiddeld enkele meters lager dan de omgeving. De droogmakerij kent een aangelegd watersysteem met hoofdtochten, een gemaal en een regelmatige basisverkaveling. Ontginningsboerderijen liggen op regelmatige afstand langs de ontginningsweg. Elke droogmakerij heeft haar eigen ordening en maat; kavelgrootte en lengte-breedte-verhouding zijn uniek. Voor ontwikkelingen in droogmakerijen geldt dat de droogmakerij als eenheid herkenbaar blijft door het beleefbaar houden van de randen en het hoogteverschil tussen laaggelegen droogmakerij en omringend land.
 
De voorgenomen ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling aan de rand van het stedelijk gebied. Door de ligging direct aan het stedelijke gebied doet de ontwikkeling geen afbreuk aan de herkenbaarheid van de droogmakerij. Daarnaast is met de ontwikkeling zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de schaal en het patroon van de verkaveling in de droogmakerij. Zo blijft de rechthoekige verkaveling behouden en is de oriëntatie van de nieuwe woningen in overeenstemming met de oriëntatie van de kavels in het gebied.
 
Laag van de stedelijke occupatie
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaart 'Laag van de stedelijke occupatie'.
 
Fragment kaart 'Laag van de stedelijke occupatie'
 
Het plangebied ligt voor een deel in de stads- of dorpsrand en aan de rand van het bebouwd gebied. De stads- of dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Ter plaatse van deze zone komen stedelijk milieu en buitengebied bij elkaar, wat potentieel leidt tot een hoogwaardig en geliefd woonmilieu. Richtpunt uit de VRM is dat ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand bijdragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. De overgangskwaliteiten zijn verder uitgewerkt in de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit (gebiedsprofiel Hollands Plassengebied, zie toelichting paragraaf 3.2.3).
 
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling goed passend is binnen de stads- en dorpsrand van Rijnsaterwoude.
   
3.2.2 Verordening Ruimte
Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Op 12 januari 2017 is een geactualiseerde versie van de verordening in werking getreden, en in april 2018 is de geconsolideerde versie in werking getreden.  In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
 
Planspecifiek
Met betrekking tot onderhavig plan zijn artikel 2.1.1 (ladder voor duurzame verstedelijking) en artikel 2.2.1 (ruimtelijke kwaliteit) van de Verordening Ruimte van belang. Navolgend wordt op deze twee artikelen ingegaan.
 
Ladder voor duurzame verstedelijking
Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 2.1.1 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.
 
In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
  1. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
  2. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. 
 
Ruimtelijke kwaliteit
In artikel 2.2.1 lid 1 van de Verordening Ruimte is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling:
  1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  2. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;
  3. als de ruimtelijke ontwikkeling qua aard en schaal niet past binnen het gebied (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht is besteed aan de overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
De voorgenomen ontwikkeling, de realisatie van 7 woonkavels, past functioneel binnen de aard van het gebied, zijnde in overwegende mate een woongebied. Qua schaal past de ontwikkeling ook. De bouwmassa's en bouwhoogten zijn afgestemd op de omliggende woningen en vooraf door de gemeentelijk stedenbouwkundige getoetst en akkoord bevonden.
Rijnsaterwoude is gelegen binnen het gebiedsprofiel Hollandse plassen. In het Hollands Plassengebied is grofweg een tweedeling te zien tussen veenweidegebieden en droogmakerijen. De veenweidegebieden liggen hoger dan de droogmakerijen en kennen een grote functiemenging. In deze gebieden bevinden zich graslanden voor de melkveehouderij, oude lintdorpen, (glastuinbouw)bedrijven, natuurgebieden en relatief veel opgaand groen in vergelijking met de droogmakerijen. De droogmakerijen hebben een grootschalig, rechthoekig en agrarisch karakter met melkveehouderij en akkerbouw. De overgang tussen veenweide en droogmakerij is veelal abrupt door het grote hoogteverschil. Voor nieuwe ontwikkelingen in aansluiting op de bestaande lintstructuur is er vanuit het gebiedsprofiel de ambitie elke kern binnen zijn eigen identiteit verder te ontwikkelingen op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de bestaande dorpsstructuur en karakteristiek. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling, en de hieraan ten grondslag liggende wijzigingsbevoegdheid, in overeenstemming is met de Verordening Ruimte.
 
3.2.3 Gebiedsprofiel Hollands Plassengebied
Het gebiedsprofiel staat tussen de kwaliteitskaart van de structuurvisie en bijvoorbeeld een beeldkwaliteitsplan van de gemeente. Begin 2012 is het gebiedsprofiel ‘Hollands Plassengebied’ vastgesteld door Gedeputeerde Staten en vormt een handreiking om de ruimtelijke kwaliteit mee te nemen in de ruimtelijke planvorming. Het profiel is een gezamenlijk vertrekpunt ten aanzien van de karakteristiek, de ruimtelijke kwaliteit en de ambitie voor dit specifieke gebied. Het profiel verbeeldt en beschrijft wat wordt verstaan onder ‘ruimtelijke kwaliteit’, welke elementen aan die kwaliteit ten grondslag liggen in relatie tot de kwaliteitskaart en hoe sturing gegeven kan worden aan behoud en ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit.
 
Het gebiedsprofiel is opgebouwd uit 13 elementen. Voor het plangebied zijn met name de elementen 'droogmakerij als herkenbare eenheid' en 'kwaliteit in stads- en dorpsgebied' van belang.
  
Droogmakerij als herkenbare eenheid
Het plangebied ligt in een droogmakerij met veen in de ondergrond. De droogmakerij heeft een grote maat en schaal door het vrijwel ontbreken van bebouwing en opgaande beplanting. Hierdoor zijn er lange zichtlijnen. Ten opzichte van het natuurlijk gevormde Braassemermeer beschikt de droogmakerij over lange en smalle verkaveling.
Bij ontwikkelingen in deze droogmakerijen wordt rekening gehouden met:
  • De droogmakerij blijft herkenbaar als een polderentiteit met een rationele opzet, begrensd door hooggelegen dijken.
  • Openheid, maat, schaal, kavelrichting en structuur van de polder dienen herkenbaar aanwezig te blijven.
  • Het waterrijke, meer kleinschalige karakter en de minder draagkrachtige bodem vragen om een terughoudende en subtielere omgang met de landschappelijke kenmerken (in vergelijking met de droogmakerijen zonder restveen). Schaalvergroting ligt hier minder voor de hand.
  • Watergangen dienen waar mogelijk te worden voorzien van ecologisch interessante oevers om de biodiversiteit te verhogen.
  • Nieuwe eenvoudige recreatieve verbindingen door het gebied zijn gewenst.
Planspecifiek
De beoogde realisatie van 7 woonkavels is een relatief kleinschalige ontwikkeling die past in de omgeving. Bij de ontwikkeling wordt de bestaande strookverkaveling gerespecteerd. De nieuwe woningen zullen gerealiseerd worden in de lengte van het perceel. Hierdoor blijft de rechthoekige, landschappelijke vorm behouden.
De sloten die het perceel begrenzen zijn een belangrijk landschappelijk kenmerk. Met de voorgenomen ontwikkeling blijven deze sloten behouden. Hierdoor blijft de gebruiks- en de belevingswaarde van de watergangen aanwezig. 
 
Kwaliteit in stads- en dorpsgebied
De dorpen in het Hollands Plassengebied verschillen in oorsprong, stedenbouwkundige opzet en grootte. Deze verscheidenheid is nog herkenbaar. Het grootste oppervlak van de dorpen bestaat uit uitbreidingen die na 1950 zijn gerealiseerd. Deze uitbreidingswijken kennen een stratenpatroon en verkaveling die meestal primair is gebaseerd op een kwaliteit op wijkniveau met veel aandacht voor een goede auto-ontsluiting en eisen van de moderne woning. Het originele verkavelingspatroon van het landschap is in deze wijken in de regel niet meer zichtbaar in de opzet van de wijk en het directe contact met de omgeving is soms verloren gegaan. De bij dorpen behorende ambitie betreft:
  • Een dorp is geen stad. Aan iedere ontwikkeling gaat een grondige analyse vooraf. Nieuwe ontwikkelingen pakken de maat en schaal van het dorp op, sluiten aan bij de typologie aan bebouwingsvormen en functies.
  • Elk dorp in het Hollands Plassengebied versterkt of ontwikkelt zijn eigen karakter. Nieuwe ontwikkelingen bouwen voort op de karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Onderliggende patronen worden bij ontwikkelingen herkenbaar opgenomen in de structuur van het dorp.
  • Bij ontwikkelingen wordt de relatie met het omliggende landschap opgezocht door het realiseren van nieuwe verbindingen en zichtrelaties.
  • De dorpskernen functioneren waar mogelijk als locatie voor kleinschalige voorzieningen die ook van betekenis zijn voor de omringende linten.
  • Uitbreiding wordt bij voorkeur binnen bestaand bebouwd gebied gerealiseerd.
Planspecifiek
De te realiseren woningen liggen in Rijnsaterwoude, een historisch dorp aan het Braassemermeer. Belangrijke verkavelingskenmerken die goed zichtbaar in het dorp zijn, zijn de ontginningsstroken. De nieuwe woningen zullen gerealiseerd worden op een ontginningsstrook. De woningen worden in de lengte van het perceel gerealiseerd, wat kenmerkend is voor de omgeving en ook in de verkaveling van de huidige woningbouw is opgenomen. Deze wijze van verkavelen wordt in het nieuwe plan, waar deze woningen onderdeel van zijn, voortgezet. Door het versterken van de sloten en het behoud van de bestaande verkaveling wordt het onderliggende landschap gerespecteerd en sluit het aan op de ambities uit de kwaliteitsgids. 
In het 'lint' Suyderbon komt een verscheidenheid aan woningtypen en kapvormen voor. Voor de nieuw te realiseren woningen is er dus ruimte voor een verschillende architectonische invullingen.
 
3.3 Regionaal beleid
3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland-Rijnland
Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. Op 28 maart 2012 is door het Algemeen Bestuur ingestemd met de eerste partiële herziening.
 
De structuurvisie van de regio Holland-Rijnland is de toekomstvisie op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de regio tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De visie gaat in op het behouden en versterken van haar kwaliteiten, zoals de hoge landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de regio en de ruimtelijke structuur gebaseerd op een compacte historische centrumstad, een stedelijke kern midden in het Groene Hart, de vele hechte dorpen en de groene omgeving. De structuurvisie kent zeven kernpunten, te weten:
  1. Holland-Rijnland als een topwoonregio;
  2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie;
  3. concentratie stedelijke ontwikkeling;
  4. groenblauwe kwaliteit staat centraal;
  5. het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open;
  6. twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports;
  7. verbetering van de regionale bereikbaarheid.
Planspecifiek
Het voorgenomen plan, dat bestaat uit de realisatie van 7 woonkavels voor 7 grondgebonden woningen, wordt gerealiseerd aansluitend op het bestaand stedelijk gebied. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de kernpunten tot concentratie van stedelijke ontwikkeling en de ambitie om als topwoonregio te fungeren. Daarbij wordt de groenblauwe kwaliteit van het gebied niet uit het oog verloren.
 
3.3.2 Regionale Woon Agenda Holland Rijnland 2017
In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden, in te kunnen blijven spelen op de behoefte en verdringing van kwetsbare groepen op de woningmarkt te voorkomen heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt:
  1. tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn;
  2. groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding;
  3. een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is;
  4. bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt;
  5. een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk;
  6. groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling;
  7. langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren;
  8. bereikbaar bouwen;
  9. solidariteit.
Planspecifiek
Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op de keuzes 1, 3, 4, 7 en 9. Het plan komt tegemoet aan de vraag naar koopwoningen.  Dit voorkomt verdringing en bevordert doorstroming in de woningmarkt.
 
In de gemeente Kaag en Braassem is in de periode 2017-2022 vraag naar 450 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt de behoefte 490 extra woningen. De totale behoefte van extra 940 woningen in de periode 2017-2030 is vrijwel volledig voorzien in een woonmilieu dat te typeren is als 'dorps'. Het beoogde plan betreft een 'dorps' woonmilieu, gezien de eenvoudige en kleinschalige opzet, die aansluit bij de bestaande stedenbouwkundige structuur van de kern Rijnsaterwoude.
 
Gezien het voorgaande past het plan binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Kaag en Braassem.
 
3.4 Gemeentelijk beleid
3.4.1 Nota inbreidingslocaties
Op 7 februari 2011 is de Nota inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De ‘nota Inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel.
 
De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen.
 
Planspecifiek
In de Nota inbreidingslocaties wordt per kern een beschrijving gegeven. Deze beschrijvingen dienen als basis voor de ruimtelijke beoordeling van inbreidingsverzoeken. Volgens de nota maakt het plangebied onderdeel uit van de kern Rijnsaterwoude. Binnen deze kern is het plangebied aangewezen als 'Ontwikkelingslocatie'. Deze ontwikkelingslocatie kan volgens de nota opgevuld worden met woningbouw. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling woningbouw betreft, is de ontwikkeling op deze locatie passend.
 
3.4.2 Nota vereveningsfondsen
Op 17 juni 2013 heeft de raad van de gemeente Kaag en Braassem ingestemd met de Nota Vereveningsfondsen. In deze nota worden bestemmingsreserves sociale woningbouw en parkeren aangewezen.
 
Doel van deze reserves is tenminste 30% sociale woningbouw te realiseren bij nieuwbouwprojecten en te voorzien in voldoende parkeervoorzieningen bij nieuwbouwontwikkelingen (niet alleen voor sociale woningbouw). Indien niet aan de gestelde normen wordt voldaan zal op basis van een overeenkomst met de initiatiefnemer van een bouwplan een bijdrage aan de betreffende bestemmingsreserve(s) worden afgesproken. Een bijdrage aan de reserve sociale woningbouw moet worden gedaan indien niet voldaan kan worden aan de gestelde norm. Deze bijdrage kan vervolgens worden ingezet bij projecten die meer sociale woningbouw realiseren dan de gestelde norm, dit alles met als doel gemiddeld 30% sociale woningbouw bij nieuwbouw projecten. De bijdrage aan de parkeer-bestemmingsreserve wordt gebruikt om in geval van nieuwbouw in de openbare ruimte ontbrekende parkeergelegenheid aan te leggen.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 7 woningen. Op basis van de nota vereveningsfondsen moet ook voorzien worden in  'sociale woningen'. Daarom heeft initiatiefnemer aan de gemeente Kaag en Braassem aangegeven bij de planontwikkeling rekening te willen houden met mogelijkheden voor het realiseren van sociale woningbouw. De woningcorporaties hebben via de gemeente Kaag en Braassem aangegeven niet geïnteresseerd te zijn in nieuwbouw ten behoeve van sociale huur op de planlocatie. Derhalve zal, conform het gestelde in de Nota vereveningsfondsen, per te compenseren sociale woning een bijdrage betaald worden aan de reserve sociale woningbouw.  
 
3.4.3 Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025
De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 12 december 2011 de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. De MRSV is de gemeentelijke visie op de maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkeling in het jaar 2025. Op 18 december 2017 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV 2017) vastgesteld. Per thema is de voorgaande visie aangepast op het meest actuele beleid. Ook de dorpsperspectieven zijn, op basis van bijeenkomsten in de dorpen, opnieuw in uitgebreidere vorm opgesteld.
 
De geactualiseerde MRSV gaat uit van een horizon van acht jaar; de toekomstige ontwikkelingen tot 2025. De MRSV integreert het beleid vanuit verschillende beleidssectoren tot een logisch en samenhangend geheel. De MRSV biedt een beleidslijn op hoofdlijnen vanuit de gedachte dat de gemeente zich niet (meer) tot in detail met alles gaat bemoeien. Voor zaken en activiteiten waar de gemeente de komende jaren nog wel een duidelijke verantwoordelijkheid heeft of wil hebben, moet aanvullend beleid worden ontwikkeld. Voor dit aanvullende beleid geldt de MRSV als basis.
 
De MRSV is in lijn gebracht met de beleidsdoelen van het Rijk en de provincie. Op regionale schaal zijn de beleidsdoelen van Holland Rijnland in deze MRSV geïntegreerd. Ook het Hoogheemraadschap van Rijnland staat de komende jaren voor enkele grote opgaven, met name op het gebied van waterberging, waarbij zij nauw samenwerkt met de gemeente. De gemeente maakt in de MRSV vier strategische keuzes:
  1. delen verantwoordelijkheid; de gemeente neemt niet meer zelf initiatief, maar faciliteert.
  2. wonen in alle kernen; aandacht voor de samenstelling van de woningmarkt door diverse veranderingen, met oog voor de eigen kracht en karakter van elke kern.
  3. ruimtelijke kwaliteit belangrijk, maar staat niet altijd voorop; sturing op een goede ruimtelijke ordening met aandacht voor kwetsbare gebieden, duurzaamheid en een goede afweging per potentiële ruimtelijke ontwikkeling.
  4. ontwikkelen door beheer; de focus komt steeds meer te liggen op de ontwikkeling van kleinschalige herstructureringen binnen de bestaande woonomgeving.
De strategische keuzes zijn geen pasklare antwoorden op vraagstukken, maar geven richting bij het zoeken naar passende oplossingen. Deze strategische keuzes werken door in de structuurvisie en de beleidskaders.    
 
Planspecifiek
In de MRSV wordt aangegeven dat de gemeente kiest voor een leefbaar en toekomstbestendig Kaag en Braassem en concentreert zich daarom op grootschalige woningbouw, voornamelijk in de kernen waar voorzieningen zijn: Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge. In de overige kernen wordt kleinschalige nieuwbouw ontwikkeld als er behoefte is aan toevoeging van een woningsegment. Dit betekent dat de gemeente in die kernen alleen meewerkt aan initiatieven die kwaliteit aan de bestaande woonkern toevoegen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een kleine herstructurering of het toevoegen van een ontbrekend type woning. Bij alle nieuwbouwplannen is een kwalitatieve en kwantitatieve onderbouwing van het bouwprogramma verplicht, ook in verband met regionaal en provinciaal beleid.
 
De planlocatie is op de structuurvisiekaart aangewezen als een inbreidingslocatie voor woningbouw. Onderhavige ontwikkeling geeft met de realisatie van 7 woonkavels hier vorm aan. De ontwikkeling is passend binnen het gestelde in de MRSV.
4 Haalbaarheid van het wijzigingsplan
4.1 Wijzigingsbevoegdheid
Voor de locatie is het 'wijzigingsgebied 6' van kracht. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden met de aanduiding 'wro-zone wijzigingsgebied 6' te wijzigen in de bestemmingen Wonen, Groen, Verkeer, Tuin en Water, onder voorwaarde dat:
  1. het aantal woningen mag ten hoogste 22 bedragen;
  2. de bouwhoogte van woningen maximaal 10 m bedraagt;
  3. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  4. voorzien van een goed woon- en leefklimaat;
  5. het plan voorziet in voldoende watercompensatie dan wel in hetzelfde peilgebied voldoende compensatie plaatsvindt en dit in overleg gebeurt met het hoogheemraadschap van Rijnland (watertoets);
  6. dat het wijzigingsplan milieutechnisch aanvaardbaar is;
  7. dat het wijzigingsplan economisch uitvoerbaar is;
  8. verhaal van gemeentelijke (plan-)kosten is zeker gesteld;
  9. dat het wijzigingsplan stedenbouwkundig inpasbaar is;
  10. dat het wijzigingsplan verkeerskundig inpasbaar is.
4.2 Toetsing aan de wijzigingsbevoegdheid
De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan de in toelichting paragraaf 4.1 gestelde wijzigingsvoorwaarden. In deze paragraaf wordt onderbouwd in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden.
 
Voorwaarde a
De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op 7 woonkavels. Reeds is binnen het wijzigingsgebied een tweetal woningen ten westen van de beoogde ontwikkeling gerealiseerd. Tezamen wordt het maximaal aantal woningen in het wijzigingsgebied niet overschreden.
 
Voorwaarde b
In het wijzigingsplan en het beeldkwaliteitsplan Suyderbon II is een nokhoogte van 10 meter vastgesteld. Daarmee wordt de maximale bouwhoogte niet overschreden.
 
Voorwaarde c
De beoogde ontwikkeling wordt uitgevoerd in afstemming met de gemeente Kaag en Braassem en omwonenden. Reeds is met de initiatiefnemers van Suyderbon (twee woningen), de ontwikkelende partij van het resterende wijzigingsgebied, een overeenkomst getekend met betrekking tot de ontsluiting en overige rechten van erfdienstbaarheid (kabels en leidingen). Daarnaast zijn in  maart 2015 de plannen voor de gebiedsontwikkeling van Suyderbon II, incl. de twee westelijk gelegen woningen, gepresenteerd aan de Dorpsraad Rijnsaterwoude. De plannen zijn positief ontvangen. Hiermee worden conflicten bij de verdere planvorming voorkomen. In het vervolg van de procedure wordt het plan nogmaals gepresenteerd aan de dorpsraad. Van deze bijeenkomst wordt door de initiatiefnemer een verslag gemaakt welke wordt toegevoegd aan het wijzigingsplan.
 
Voorwaarde d
In de uitvoeringsparagraaf wordt gemotiveerd dat ter hoogte van de beoogde woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Aspecten zoals weggeluidhinder, luchtkwaliteit en omliggende zoneringen (in verband met bedrijfsvoeringen) worden daartoe aangehaald en onderzocht.
 
Voorwaarde e
In toelichting paragraaf 5.3 is een waterbalans opgenomen. Gelet op het voornemen 7 woonkavels te realiseren zal een beperkte watercompensatie moeten plaatsvinden. De watercompensatie wordt uitgevoerd buiten het plangebied.
 
Voorwaarde f
Gezien de positieve uitkomsten van toelichting hoofdstuk 5 kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling milieutechnisch aanvaardbaar is.
 
Voorwaarde g
In toelichting hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid van het plan beschreven. Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Voorts zal middels een anterieure overeenkomst het planschaderisico worden afgewenteld op de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn daarmee geen kosten en risico's aan de ontwikkeling verbonden. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende aangetoond.
 
Voorwaarde h
Zoals onder g aangegeven zal de gemeente Kaag en Braassem middels een anterieure overeenkomst de gemeentelijke plankosten op de aanvrager doorleggen. Daarnaast worden voor het behandelen van het wijzigingsplan legeskosten gerekend.
 
Voorwaarde i
De oriëntatie van de beoogde woningen sluit in lijn aan op de noordelijk gelegen woningen die aan de straat Suyderbon grenzen. De weg Suyderbon wordt doorgetrokken voor de ontsluiting van het plangebied. Om de stedenbouwkundige en landschappelijke inpasbaarheid te waarborgen is een beeldkwaliteitsplan Suyderbon II opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan is gekoppeld aan de regels van dit wijzigingsplan en geeft voorwaarden mee waarbinnen de woningen gerealiseerd mogen worden.
 
Voorwaarde j
De woningen worden ontsloten via de straat Suyderbon. Deze straat wordt doorgetrokken naar de kavels in het plangebied. Het parkeren vindt plaats binnen het plangebied - deels op eigen terrein en deels openbaar. Er is een overeenkomst getekend met de initiatiefnemers van de westelijk gelegen woningen met betrekking tot de ontsluiting van de beoogde ontwikkeling. Deze ontsluiting is afgebeeld in toelichting paragraaf 2.2. In toelichting paragraaf 5.7.1 wordt de verkeerssituatie nader toegelicht. De toegevoegde openbare ruimte krijgt een openbaar karakter.
 
4.3 Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het initiatief voldoet aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. Het college kan dan ook op grond van dit wijzigingsplan de bestemming wijzigen.
5 Uitvoerbaarheid
In het kader van een 'goede' ruimtelijke ordening moet het aantoonbaar zijn dat een nieuwe ontwikkeling uitvoerbaar is. Hiervoor moeten de milieutechnische gevolgen in beeld gebracht worden. Omdat gebruik gemaakt wordt van de wijzigingsbevoegdheid, zoals deze in het geldende bestemmingsplan is opgenomen, kan verwezen worden naar de toelichting behorende bij het bestemmingsplan. Hierin is gemotiveerd dat de wijzigingsbevoegdheid voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden per milieuaspect de gevolgen beschreven en de eventueel noodzakelijke onderliggende haalbaarheidsonderzoeken toegelicht.
5.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; 
  4.  de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. Omdat slechts de bouw van maximaal 7 woningen worden mogelijk gemaakt kan afgezien worden van een m.e.r.-beoordeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
  1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 5. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r.. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit wijzigingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
 
Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. De onderbouwing waarom geen m.e.r. is opgesteld wordt als bijlage bij het ontwerp wijzigingsplan gevoegd. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het wijzigingsplan.
 
Op basis van deze plantoelichting welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
5.2 Milieu
5.2.1 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Planspecifiek
In het kader van een wijzigingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Gezien het feit dat de huidige bestemming wijzigt van agrarisch naar wonen zal met een verkennend bodemonderzoek aangetoond worden dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie.
In oktober 2018 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (IDDS, 20 oktober 2018, zie bijlage 1a). Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
  • In de grond zijn zintuiglijk geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen.
  • Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. 
  • De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik en lood. 
  • De ondergrond is niet verontreinigd. 
  • Het grondwater is licht verontreinigd met barium.
Gelet op de onderzoeksresultaten kan de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie worden gehandhaafd. Beperkingen inzake de voorgenomen herontwikkeling en het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
  
Uit een verkennend asbestonderzoek (IDDS, 20 oktober 2018, zie bijlage 1b) volgt dat, gelet op de onderzoeksresultaten, de hypothese verdachte locatie voor de onderzochte locatie ten aanzien van asbest kan worden verworpen. Op het maaiveld en in de grond is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve wordt geconcludeerd dat de grond niet is verontreinigd met asbest.
 
Ten aanzien van de waterbodem is een waterbodemonderzoek verricht (IDDS, 20 oktober 2018, zie bijlage 1c). Het onderzoek concludeert:
  • Toepassen op of in de landbodem (T1)
    1. Met betrekking tot het toepassen van het vrijkomende slib / de onderliggende bodem op of in de landbodem wordt de bodemklasse van de watergangen ingedeeld als zijnde klasse industrie of altijd toepasbaar.
  • Toepassen in oppervlaktewater (T3)
    1. Met betrekking tot het toepassen van het vrijkomende slib / de onderliggende bodem in oppervlaktewater wordt de bodemklasse van de watergang ingedeeld als zijnde klasse A of altijd toepasbaar.
  • Verspreiding op het aangrenzende perceel (T5)
    1. Het vrijkomend slib / de onderliggende bodem is verspreidbaar op de aangrenzende percelen.
Conclusie
Het aspect (water)bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.2.2 Geluid
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    • verzorgingstehuizen;
    • psychiatrische inrichtingen;
    • medisch centra;
    • poliklinieken;
    • medische kleuterdagverblijven.
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 7 woningen. In het kader van de Wgh zijn woningen aangemerkt als gevoelige objecten. Derhalve dient gecontroleerd te worden of er geluidsbronnen in de directe omgeving aanwezig zijn die voor een te hoge geluidsbelasting kunnen zorgen.
 
Wegverkeerslawaai 
Wegverkeerslawaai is een van de geluidsbronnen. De woningen bevinden zich aan een rustige 30 km/u weg (Suyderbon). De Suyderbon betreft een doodlopende weg ter plaatse van het plangebied. Daarnaast ligt de Herenweg ten oosten van het plangebied op een afstand van circa 85 m. De Herenweg is tevens een 30 km/u weg. 
Voor beide wegen is de Wet geluidhinder dan ook niet van toepassing.  
 
Gezien de doodlopende Suyderbon met een snelheidslimiet van 30 km/u en de afstand en bomen tussen het plangebied en de Herenweg waar tevens een snelheidslimiet van 30 km/u geldt, wordt er geen hinder verwacht op het gebied van wegverkeerslawaai. Voor de beoogde woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai.
 
Industrielawaai
In de nabijheid van het plangebied is een basisschool gelegen, in toelichting paragraaf 5.2.5 wordt hier nader op in gegaan. Er bevinden zich geen andere belangrijke geluidsbronnen in de omgeving van het plangebied.
 
Gezien het bovenstaande vormt het omgevingsaspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.2.3 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit (Wlk) introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2.5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn.
 
Besluit gevoelige bestemmingen
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
 
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt.
 
De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
  • scholen;
  • kinderdagverblijven;
  • verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten.
 
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling voorziet in de mogelijkheid tot het ontwikkelen van 7 woonkavels voor 7 vrijstaande woningen. Gezien de beperkte omvang van voorgenomen ontwikkeling, kan deze worden gezien als een NIBM-project. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling 'Niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. 
 
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat de huidige luchtkwaliteit voldoet aan jaarlijkse grenswaarde. Zowel voor stikstofdioxide als voor fijn stof dient de jaarlijkse grenswaarde van 40 μg/m³ niet overschreden te worden. Voor de fijnere fractie van fijn stof dient de jaarlijkse grenswaarde van 25 μg/m³ niet overschreden te worden.
 
Voor het bepalen van de luchtkwaliteit is er gebruik gemaakt van de NSL Monitoringstool 2017. Om de luchtkwaliteit aan te tonen is besloten twee rekenpunten te toetsen die gelegen zijn in de nabijheid van het plangebied aan de Herenweg (rekenpunten 15846938 en 15846943).
  
De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstof (NO2) over 2016 op de voorgenoemde rekenpunten bedragen respectievelijk maximaal 18,5 μg/m³, 10,8 μg/m³ en 20,2 μg/m³. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde grenswaarden van 40 μg/m³ en 25 μg/m³ en is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog lager is.
 
Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
 
5.2.4 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
 
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
 
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
 
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 
 
Planspecifiek
Om te bepalen welke risico's er op het gebied van externe veiligheid optreden is de risicokaart geraadpleegd.
 
Uitsnede Risicokaart (plangebied zwart omlijnd)
 
Door de Risicokaart te raadplegen blijkt dat de locatie niet binnen enige risicocontouren valt. Op circa 680 meter afstand van het plangebied ligt de provinciale weg N207. Op deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats, waardoor een plaatsgebonden risico van 16 meter geldt. De planlocatie valt hier ruimschoots buiten. Wel is de planlocatie, in verband met het transport van LT2 (licht toxische vloeistoffen) binnen de onderzoekszone van het groepsrisico gelegen. Blijkens de onderzoeksrapportage (2012) horende bij het bestemmingsplan N207 bedraagt de hoogte van het groepsrisico 0,003 van de oriëntatiewaarde. De beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico zeer beperkt verhogen. Gelet op de lage oriëntatiewaarde zijn nieuwe berekeningen niet vereist.
 
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.2.5 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie van 2009 is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling voorziet in de mogelijkheid tot het ontwikkelen van maximaal 7 woningen. De volgende afbeelding toont de bedrijven in de directe omgeving van het plangebied.
 
Bedrijven in de omgeving (globale ligging plangebied wit omlijnd)
 
In de directe omgeving zijn enkele maatschappelijke functies en woningen gesitueerd. De maatschappelijke functies in de nabijheid van het plangebied, de basisschool [1], het kinderdagverblijf [2] en de sporthal [3] zullen in de nabije toekomst gesloopt worden en plaats maken voor woningbouw. Het plangebied kan daarmee aangemerkt worden als een rustige woonwijk.
 
Het dichtstbij gelegen bedrijf bevindt zich op een afstand van circa 160 m ten zuiden van het plangebied. Het bestemmingsplan staat hier bedrijven toe van een milieucategorie 1 en 2 met een richtafstand van 30 m. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Het bedrijf wordt dan ook niet belemmerd in de bedrijfsvoering met beoogde woningbouw.
 
Gezien de toekomstige herontwikkeling van het ten zuiden gelegen gebied waarbij de huidige maatschappelijke functies plaats maken voor woningbouw, vormen de basisschool, het kinderdagverblijf en de sporthal geen belemmering met betrekking tot milieuzonering.  
  
De woningen worden grotendeels met een bomenhaag gescheiden van de, nu nog aanwezige, maatschappelijke functies. Deze bomen fungeren derhalve als natuurlijke barrière, voor zolang de maatschappelijke functies nog aanwezig zijn. Tevens behoort een basisschool tot een type A inrichting, waarmee de activiteiten van een school onder het Activiteitenbesluit vallen. Hiermee biedt het Activiteitenbesluit bescherming tegen het geluid veroorzaakt door in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten. Ten aanzien van het stemgeluid van kinderen tijdens de openingstijden van de school, gerekend vanaf een uur voor aanvang tot een uur na deze schooltijden, is bepaald in artikel 2.18, eerste lid, sub h van het Activiteitenbesluit, dat dit geluid buiten beschouwing kan blijven. 
 
Desondanks kan het geluid van spelende kinderen als hinderlijk worden ervaren. Echter gezien de toekomstige herontwikkeling van het gebied ter plaatse van de basisschool, het kinderdagverblijf en de sporthal zal hier in de nabije toekomst geen sprake meer zijn van eventuele geluidsoverlast van de huidige maatschappelijke functies. Akoestisch onderzoek naar deze maatschappelijke functies is derhalve niet relevant.
 
Gesteld kan worden dat de ontwikkeling de bedrijfsvoeringen niet zal beperken en dat de bedrijfsvoeringen niet in de weg staan voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.
5.3 Water
In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets”: de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. Ruimtelijke plannen dienen een waterparagraaf te bevatten. Initiatiefnemers van ruimtelijke plannen moeten in een vroegtijdig stadium van het planvormingsproces de waterbeheerder(s) betrekken. De initiatiefnemer vraagt de waterbeheerder(s) om een wateradvies in de vorm van een watertoets. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van het overleg opgenomen. Op basis van de watertoets zal de waterbeheerder Keurontheffing en, indien nodig, een Wvo-vergunning (Wet verontreiniging oppervlaktewater) verlenen.
 
Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland
Waterbeheerplan
Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP5) van Rijnland van toepassing. In dit plan geeft Rijnland aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP5 legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vier hoofddoelen zijn waterveiligheid, voldoende water, schoon en gezond water en de waterketen. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan schoon en gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. 
 
Keur en Beleidsregels
Per 11 maart 2015 is een nieuwe keur in werking getreden, alsmede nieuwe Beleidsregels. Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden;
Maar ook aan:
  • onttrekken en lozen van grondwater;
  • het aanbrengen van verhard oppervlak.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bijvoorbeeld op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. De Keur en Uitvoeringsregels zijn te vinden op de website: www.rijnland.net
 
Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
 
Water in relatie tot ontwikkeling woningen
Het projectgebied ligt in agrarisch gebied, nabij het Braassemermeer. De locatie is in de huidige situatie onverhard. Het plangebied wordt aan de noord- en zuidzijde omgeven met watergangen.
 
In de toekomstige situatie worden maximaal 7 woningen gerealiseerd. Dit zal zorgen voor een toename aan verharding. In de volgende tabel is de toekomstige verhardingssituatie (bij benadering) weergegeven, op basis van het concept inrichtingsplan.
 
verharding op basis van 7 vrijstaande woningenoppervlakten plangebiedoppervlakten inrichtingsplan*
water211 m²216 m²
groen245 m²545 m²
verkeersruimte (rijbaan + parkeren)1.065 m²1.210 m²
dakvlakken (100 m² p/woning)700 m²700 m²
tuin (50% van de woonpercelen)**1.077 m² (2.154 × 0,5)1.077 m² (2.154 × 0,5)
Totaal verharding2.845 m²2.987 m²
Totale oppervlakte plangebied/inrichtingsplan4.375 m²4.825 m²
* Ten westen van het plangebied zal in de verkeersbestemming een weg en bezoekersparkeerplaatsen worden gerealiseerd met een groenstrook. Het inrichtingsplan kent daarom een groter plangebied dan de contour van onderhavig wijzigingsplan.
** totale oppervlakte woon- en tuinbestemming is 2.854 m². Resteert 2.154 m² aan tuinoppervlak (na aftrek dakvlakken woningen).
 
In de Keur staat beschreven dat bij een toename aan verharding van 500 m² tot 10.000 m² een compensatie van 15% noodzakelijk is. Voor deze situatie betekent dit dat ter compensatie naar schatting 448 m² (15% van 2.987 m²) nieuw open water aangelegd moet worden. Deze compensatie zal plaatsvinden buiten het plangebied, binnen het zelfde peilgebied. Mogelijk zou dit kunnen plaatsvinden ter hoogte van de percelen kadastraal bekend onder gemeentecode RST00, sectie A, nrs. 297, 301, 1312, 2219 en 2218. Omdat het metrage te compenseren meters sterk afhankelijk is van het uiteindelijke ontwerp en het inrichtingsvoornemen wordt ten tijde van de omgevingsvergunning de definitieve watercompensatie en locatie bepaald. Omdat enkele watergangen mogelijk beperkt worden verbreed, geldt een meldingsplicht naar het Hoogheemraadschap, omdat het verplicht is om veranderingen van het watersysteem in de legger op te nemen.
   
Uitsnede Keur Hoogheemraadschap Rijnland
 
Het afvalwatersysteem van de ontwikkeling wordt zodanig vormgegeven dat het regenwater kan worden afgekoppeld. Het overige vuilwater wordt afgevoerd middels de riolering.
 
5.4 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
Het plangebied maakt behoudens het Nationaal Landschap 'Groene Hart', geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Wetland, Nationaal Park, Natuurnetwerk Nederland en/of provinciaal beschermd weidevogelgebied. De Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 8 km afstand van het plan. Gezien de omvang van het plan, de ligging binnen het stedelijk gebied en de afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn er geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden en heeft onderhavig plan geen invloed op de ligging in het Groene Hart.
 
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is er een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting Bijlage 2) op 8 augustus 2018 door Blom Ecologie BV. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er in het plangebied of de directe omgeving daarvan beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. Echter, de planlocatie heeft aannemelijk geen relevante functie voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
 
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient er wel rekening gehouden te worden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen en algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. De volgende maatregelen kunnen hiervoor worden genomen: 
  • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).
  • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
  • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
  • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
  • De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera.
  • Ten aanzien van rugstreeppad geldt dat de soort gedurende de sloop en ontwikkeling de locatie kan bevolken. In de periode april t/m augustus/september dient te worden voorkomen dat er potentiële voortplantingswateren ontstaan door het terrein voortdurend te egaliseren en met name de delen waar niet gewerkt wordt. Grondwerkzaamheden worden zoveel als mogelijk aaneengesloten uitgevoerd. In het gehele jaar maar met name in de periode oktober t/m maart dient het ontstaan van potentiële verblijf- en overwinteringslocaties te worden vermeden. Hopen puin en ander sloopafval dienen direct te worden afgevoerd of afgedekt met wegendoek. Een alternatief voor bovenstaande werkwijze is gehele uitrastering van de werklocatie middels een amfibieënscherm. Welke werkwijze wordt toegepast is ter beoordeling aan de uitvoerende partij. Indien ondanks de zorgvuldige aanpak rugstreeppadden worden aangetroffen moeten de werkzaamheden worden gestaakt. Een ter zake deskundige geeft op welke wijze de werkzaamheden hervat kunnen worden.
  • Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. 
Indien er rekening wordt gehouden met bovenstaande mitigerende maatregelen, kan er worden geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.
 
5.5 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
 
Gemeentelijk archeologiebeleid
De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 23 mei 2011 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld, dat in 2013 geactualiseerd is. In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd.
 
Planspecifiek
Uit de archeologische beleidskaart volgt dat het plangebied grotendeels is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. Voor gebieden met een lage archeologische verwachting geldt geen onderzoeksplicht. Het plangebied ligt aan de oostzijde wel aan de rand van een ontginningsas. Bij bodemingrepen groter dan 150 m² en dieper dan 0,3 m is een verkennend booronderzoek noodzakelijk om de verwachtingskaart te toetsen en zo nodig bij te stellen. Daarom is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, 21 oktober 2018, bijlagen bij toelichting). Uit het onderzoek volgt dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft. Er zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk voor wat betreft het behoud van archeologische waarden. Wel geldt ten alle tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat als tijdens de graafwerkzaamheden zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet, artikel 5.10, bij de gemeente dienen te worden gemeld.
 
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
5.6 Cultuurhistorie
Door recente wijzigingen in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) is sinds 1 januari 2012 het opnemen van een cultuurhistorische paragraaf verplicht. In de toelichting van het wijzigingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
 
Planspecifiek
Rijnsaterwoude heeft circa 1.700 inwoners en is daarmee een kleine kern binnen de gemeente Kaag en Braassem. In het dorp zijn op het moment een makelaar, restaurant, een basisschool, kinderopvang en twee kerken aanwezig. Het voorzieningenniveau is laag. De kern Rijnsaterwoude is opgebouwd uit twee verdichtingen middels een bebouwingslint. Tussen de twee verdichtingen ligt nog open weide, Suyderbon II (plangebied). De locatie is speciaal aangemerkt als inbreidingslocatie (zie ook toelichting paragraaf 3.4.3). Voorheen werden de gronden voor agrarische doeleinden gebruikt. Sinds de verdichting begin jaren '90 heeft het gebied zijn agrarisch karakter verloren en is de hoofdzakelijke bestemming wonen. Gezien het feit dat het gebied aangewezen is als inbreidingslocatie doet de ontwikkeling geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde in Rijnsaterwoude.
 
5.7 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
 
5.7.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
Voorliggend plan maakt 7 woonkavels mogelijk. Reeds is de bestemming verkeer aanwezig voor de ontsluiting van de twee westelijke woningen aan de Suyderbon. In aansluiting hierop zal eveneens een verkeersbestemming worden opgenomen ten zuiden van het plangebied waar de woonstraat met trottoir is beoogd. Hiermee kan de ontsluiting van de woningen ook daadwerkelijk gerealiseerd worden.
 
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van CROW-publicatie 317. In lijn met de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Kaag en Braassem is voor de planlocatie uitgegaan van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk'.
 
Functie CROW aansluitingAantalVerkeersgeneratie per woningTotaal
Vrijstaande woningKoop, vrijstaand77,8 - 8,654,6 - 60,2
 
Uitgaande van 7 vrijstaande woningen is er een toename van circa 54 - 60 verkeersbewegingen te verwachten. De beoogde ontwikkeling vormt gezien de geringe toename aan verkeersbewegingen geen hinder voor de verkeersdruk op de Suyderbon. 
  
5.7.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. 
 
Planspecifiek 
De Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Kaag en Braassem vormt de basis voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de gemeente Kaag en Braassem. Eén van de uitgangspunten uit de gemeentelijke Nota Parkeernormen is dat de benodigde parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden ondergebracht. In lijn met de Nota Parkeernormen 2018 van de gemeente Kaag en Braassem is voor de planlocatie uitgegaan van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk'.
 
De navolgende tabel geeft de parkeerbehoefte weer van de toekomstige situatie op het perceel.
 
ProgrammaAantal parkeerplaatsen per woningAantal woningenTotaal
Koopwoning, vrijstaand1,9 - 2,7*713,3 - 18,9
* inclusief aandeel bezoekersparkeren van 0,3 parkeerplaats per woning
 
De beoogde ontwikkeling kent een parkeerbehoefte van minimaal 13,3 parkeerplaatsen inclusief bezoekersparkeren. Op de kavels wordt op eigen terrein geparkeerd. Daarbij gaat het om 2 parkeerplaatsen per kavel. Bovendien zijn in de groenstrook ten westen van de woning 9 parkeerplaatsen voorzien ten behoeve van het bezoekersparkeren. Hiermee wordt in voldoende parkeergelegenheid voorzien.
  
6 Juridische planbeschrijving
6.1 Algemeen
Voor het wijzigingsplan is aangesloten bij de bestemmingsregeling van het vigerende bestemmingsplan "Kernen Leimuiden - Rijnsaterwoude" (2013). Verder is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
 
Dit wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
 
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit wijzigingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het wijzigingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het wijzigingsplan.
 
6.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
 
6.3 Planregels
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde.
 
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden(bestemmingsplanafhankelijk).
6.4 Wijze van bestemmen
Dit wijzigingsplan maakt na vaststelling integraal onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden - Rijnsaterwoude'. Dit betekent dat in alle algemene bepalingen en bestemmingen die op het bestemmingsplan van toepassing zijn, zoals de begripsbepalingen, de bestemmingsbepalingen, de zonebepalingen en de overgangsbepalingen, ook voor het voorliggende plan gelden. Voor de uitleg van deze planregels en aanduidingen wordt verwezen naar het bestemmingsplan 'Kernen Leimuiden - Rijnsaterwoude'.
Het plangebied is voorzien van de bestemmingen 'Groen' 'Tuin' 'Verkeer' 'Water' en 'Wonen'. Binnen de bestemming 'Wonen' is een aanvullende bepaling opgenomen waarmee met behulp van een gevellijn de situering en oriëntatie van de woningen wordt bepaald. Binnen de bestemming 'Wonen' is er voor gekozen om een relatief ruim bouwvlak op te nemen waarbinnen maximaal 7 vrijstaande woningen gerealiseerd mogen worden. Teneinde de flexibiliteit de waarborgen is opgenomen dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bij vrijstaande woningen 2,0 m bedraagt. 
 
Binnen de bestemming 'Tuin' is een aanvullende bepaling opgenomen waarin erkers bij recht worden toegestaan tot 1 m voor de voorgevellijn conform de gemeentelijke standaard. Teneinde de beeldkwaliteit en stedenbouwkundige inpassing te waarborgen is een aanvullende bepaling opgenomen in hoofdstuk 3 'Algemene regels' en is het beeldkwaliteitsplan 'Suyderbon II' als bijlage bij de regels opgenomen. Dit beeldkwaliteitsplan geeft richtlijnen mee waar bij de aanvraag omgevingsvergunning aan kan worden getoetst.
 
Omdat de flexibiliteit in de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens in conflict kan komen met het parkeren op eigen terrein, is er voor gekozen een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van parkeren op te nemen in hoofdstuk 3 'Algemene regels'.
 
7 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Voorts zal middels een anterieure overeenkomst het planschaderisico worden afgewenteld op de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn daarmee geen kosten en risico's aan de ontwikkeling verbonden. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.
8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
8.1 Algemeen
Het ontwerpwijzigingsplan zal conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid van zienswijzen voor een ieder, ook voor overlegpartners. Na vaststelling door het college van Burgemeester en Wethouders zal het vaststellingsbesluit bekend gemaakt worden. Het wijzigingsplan ligt na bekendmaking dan 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.
8.2 Verslag zienswijzen
Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen hier van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
8.3 Participatie
Op 4 juni 2019 is er een inloopavond georganiseerd voor het woningbouwproject Suyderbon II. Omwonenden en belanghebbenden waren uitgenodigd voor deze bijeenkomst. Gedurende deze inloopavond zijn er 30 tot 40 geïnteresseerden langsgekomen. Tijdens de avond hebben aanwezigen de gelegenheid gehad om op de hoogte te worden gesteld van de voorgenomen ontwikkeling, vragen te stellen en hun mening te delen.
 
Er werd gebruik gemaakt van presentatie panelen, waar zowel het wijzigingsplan, het inpassingsplan en het beeldkwaliteitsplan gepresenteerd werden. De algehele sfeer over de avond was positief. Er zijn met name positieve reacties gekomen op de architectuur van de beoogde woningen. Verder zijn er meerdere opmerkingen gemaakt over de ontsluiting welke in eerste instantie maar aan één zijde van het plangebied aanwezig is. dit betreft de ontsluiting aan de westzijde via de Suyderbon. Echter zal in een later stadium, wanneer het gebied verder ontwikkeld wordt, ook een ontsluiting aan de oostzijde gerealiseerd worden. Deze ontsluiting wordt bij onderhavig plan niet meegenomen.